direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Dijkverlegging Meerse Kamp
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1641.BPL068-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Algemeen

De primaire waterkeringen, die Zuid- en Midden-Limburg beschermen tegen hoogwater, voldoen op een aantal locaties niet aan de wettelijk vastgestelde (overschrijdings)norm. Het Waterschap Roer en Overmaas neemt daarom maatregelen om de waterkeringen zodanig te verbeteren, dat deze wel aan de wettelijk vastgestelde (overschrijdings)norm voldoen.

In de landelijke toetsingsronde 2006-2011 zijn alle primaire waterkeringen per dijkring getoetst op het Voorschrift toetsen op veiligheid primaire waterkeringen (VTV2006) en de hierbij behorende hydraulische randvoorwaarden (HR2006). Langs de Maas moeten de dijkringen voldoen aan een beschermingsniveau (overschrijdingsnorm) van 1/250 jaar. Uit de landelijke toets blijkt dat binnen het beheersgebied van het waterschap Roer en Overmaas een aantal primaire waterkeringen niet voldoet aan de wettelijke norm. Een deel van deze primaire waterkeringen kan vóór 1 januari 2020 worden verbeterd met een restbudget van Maaswerken. Hierover is met het waterschap een bestuursovereenkomst afgesloten. Deze te verbeteren waterkeringen worden de "Sluitstukkaden Maasdal" genoemd.

Voor dijkring 81; Ohé en Laak – Stevensweert (Eiland in de Maas) worden versterkingsmaatregelen genomen om de waterkeringen te laten voldoen aan de geldende wettelijke norm. Het merendeel van deze versterkingen past binnen de geldende bestemmingsplannen. De waterkering aan de Meerse Kamp (Stevensweert) is van slechte kwaliteit (sterk instabiel). Bij hoogwater is gebleken dat de dijk bijna bezweek. Vanwege de slechte kwaliteit van de dijk tussen de Meerse Kamp en de Oude Maas en het gebrek aan ruimte voor verzwaring, leidt de versterking van de bestaande dijk tot een ongewenst ruimtebeslag op de visvijver en Oude Maas. In overleg met de Gemeente Maasgouw en het Waterschap is daarom gekeken naar een alternatief tracé dat langs de straat Eiland loopt aan de rand van het park.

In onderstaande afbeelding is dijkring 81 weergegeven. De rood gemarkeerde dijkvakken betreffen de dijkvakken die zijn afgekeurd in de landelijke toetsingsronde. Deze dijkvakken worden versterkt.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0001.png"

De vakken van dijkring 81 zijn afgekeurd op een of meerdere faalmechanismen van de dijk. Voor de te versterken dijkvakken is in de zomer van 2014 een planstudie opgestart, waarbij verschillende oplossingsrichtingen (varianten) zijn ontworpen en met elkaar vergeleken op basis van een Multi Criteria Analyse (MCA). Uiteindelijk is er per dijkvak een voorkeursvariant gekozen, die vervolgens is besproken met de betrokken overheden, waaronder de gemeente Maasgouw. Onderdeel van de versterkingsopgave vormt ook dijkvak 33 nabij het park Meerse Kamp (blauw omcirkeld in de afbeelding). De voorkeursvariant voor dit dijkvak is een verlegging van de dijk landinwaarts.

1.2 Leeswijzer

Dit bestemmingsplan bestaat uit planregels, verbeelding en deze toelichting. De planregels vormen in combinatie met de verbeelding het juridisch bindende deel van het plan. De toelichting bevat een beschrijving van aan het plan ten grondslag liggende gedachten en de uitkomsten van de onderzoeken.

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de aanleiding van het project, de m.e.r.-beoordeling en de relatie met het projectplan Waterwet. In het volgende hoofdstuk wordt een beschrijving gegeven van het ontstaan en het huidige gebruik van het plangebied. In hoofdstuk 3 worden het beleidskader van het rijk, de provincie Limburg, en de gemeente Maasgouw uiteen gezet. Vervolgens wordt in hoofdstuk 4 het plan voor de dijkverlegging beschreven. In hoofdstuk 5 worden de uitkomsten van het onderzoeken, de omgevingseffecten van de dijkverlegging en de maatregelen te voorkoming van effecten, beschreven. Hoofdstuk 6 beschrijft de juridische opzet waarbij de plankaart en planregels worden toegelicht. Tot slot volgt in hoofdstuk 7 een beschrijving van de uitvoerbaarheid van het plan en de resultaten van de inspraak en overleg.

1.3 Ligging en begrenzing plangebied

Het dijkvak waarvoor dit bestemmingsplan is opgesteld, ligt aan oostkant van de kern Stevensweert, ter plaatse van de visvijver Meerse Kamp. Het plangebied wordt (globaal) begrensd door de wegen 'Eiland', 'Schuttersweg' en de Maas. Op onderstaande afbeelding is de ligging en begrenzing van het plangebied weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0002.png"

1.4 Geldend bestemmingsplan

Voor het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan 'Stevensweert' (vastgesteld op 19 april 2012). De realisatie van de dijkverlegging zijn binnen de regels van dit bestemmingsplan niet mogelijk, omdat (voor een gedeelte van) het plangebied van de nieuwe waterkering, binnen de bestemmingen 'Groen' en 'Horeca', 'Wonen' en 'Verkeer' geen waterkering is toegestaan. Daarnaast is ter plaatse van de bestaande waterkering volgens de regels van de dubbelsbestemming 'Waterstaat - Waterkering' alleen een primaire waterkering toegestaan. Om de dijkverlegging en het afwaarderen van de bestaande waterkering planologisch mogelijk te maken, is het voorliggende bestemmingsplan opgesteld. Op onderstaande afbeelding is een uitsnede uit het Bestemmingsplan Stevensweert weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0003.png"

1.5 M.e.r.-beoordeling

1.5.1 Besluit-m.e.r.

Een m.e.r.-beoordeling is een toets van het bevoegd gezag om te bepalen of er bij een voorgenomen activiteit (die genoemd staat in onderdeel D van het Besluit-m.e.r.) mogelijke belangrijke nadelige milieugevolgen kunnen optreden. Op basis van de uitkomsten van de m.e.r-beoordeling dient het bevoegde gezag te beslissen of een m.e.r.-procedure wordt doorlopen, of dat deze achterwege kan blijven (het m.e.r.-beoordelingsbesluit).

Indien uit de m.e.r- beoordeling blijkt dat de activiteit kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgden voor het milieu, dan zal het bevoegde gezag beslissen dat een Mileueffectrapportage (MER) moet worden opgesteld.

Het voorliggende bestemmingsplan voor de dijkverlegging Meerse Kamp vormt een besluit als bedoeld in categorie D-3.2 uit het Besluit-m.e.r. ("de aanleg, wijziging of uitbreiding van werken inzake kanalisering of ter beperking van overstromingen betreft met inbegrip van primaire waterkeringen en rivierdijken").

1.5.2 M.e.r.-beoordeling Sluitstukkaden Maasdal, Dijkring 81

Voor te verbeteren dijkvakken binnen Dijkring 81 (Ohé en Laak) is één m.e.r.-beoordeling opgesteld. In de m.e.r.-beoordeling 'Sluitstukkaden Maasdal - Cluster A Dijkring 81 (Ohé en Laak)' heeft waterschap Roer en Overmaas de effecten van de verbeteringen op het milieu in samenhang beoordeeld en gemotiveerd.

In onderstaande paragraaf is een samenvatting van de m.e.r.-beoordeling weergegeven. In de bijlagen is de volledige m.e.r.-beoordeling opgenomen.

In de m.e.r.-beoordeling is aan de hand van een drietal criteria beoordeeld of de dijkverbetering kan leiden tot belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu:

  • De kenmerken van de activiteit (o.a. omvang en samenhang met andere activiteiten ter plaatse).
  • De plaats waar de activiteit wordt verricht (o.a. locatiekeuze in relatie met kwetsbaarheid van den omgeving).
  • De kenmerken van de gevolgen van de activiteit (o.a. bereik, waarschijnlijkheid en omkeerbaarheid van de te verwachten effecten).

De criteria zijn in de m.e.r.-beoordeling uitgewerkt in zes onderwerpen die van doorslaggevend belang zijn voor de effecten van de dijkverbetering op het milieu. Deze thema's zijn in de m.e.r.-beoordeling uitgewerkt en getoetst:

Onderwerp   Criteria   Effecten  
Bodem   Aardkundige waarden
Bodemkwaliteit  
Gering negatief
Geen  
Water   Grondwater
Oppervlaktewater
Hoogwaterveiligheid  
Gering positief
Gering positief
Positief  
Natuur   Beschermde gebieden
Beschermde flora en fauna  
Geen significant effect
Geen significant effect  
Landschapstypen   Landschapstypen en - structuren   Gering negatief  
Cultuurhistorie   Historische geografie
Historische bouwkunde
Archeologie  
Gering negatief
Geen
Zeer gering negatief  
Woon-, werk- en leefmilieu   Bouwhinder
Verkeer  
Gering negatief
Gering negatief  

Conclusies m.e.r.-beoordeling

Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat de dijkverbeteringen in dijkring 81 geen belangrijke negatieve gevolgen hebben voor de zes onderzochte onderwerpen. Daarnaast is gebleken dat in de omgeving geen andere activiteiten, die kunnen leiden tot cumulerende effecten, zijn gepland.

Gezien de verwachte geringe effecten, is het opstellen van een MER voor de dijkversterkingen in Cluster A, qua omvang en benodigd tijdsbeslag, niet in verhouding met het doel van het opstellen van een MER, namelijk het inzichtelijk maken van de milieueffecten.

1.5.3 Relatie m.e.r-beoordeling in bestemmingsplan

De m.e.r-beoordeling en het m.e.r-beoordelingsbesluit vormen een voorbereidingsbeslissing in de zin van artikel 6:3 van de Algemene wet bestuursrecht, waartegen geen zelfstandig bezwaar of beroep mogelijk is, tenzij belanghebbenden hierdoor rechtstreeks in hun belang worden getroffen. Het vastgestelde bestemmingsplan, waar de m.e.r.- beoordeling en het m.e.r.-beoordelingsbesluit een onderdeel (bijlage) van zijn, is uiteraard wel vatbaar voor beroep.

1.6 Projectplan Waterwet

1.6.1 Art. 5.4 Waterwet

In artikel 5.4 van de Waterwet is bepaald dat voor de aanleg of wijziging van een waterstaatswerk een projectplan dient te worden vastgesteld. In het projectplan wordt het project zelf worden beschreven, maar ook de wijze van uitvoering. Hierbij gaat het niet alleen om de technische realisatie van het project, maar ook om de inpassing ervan in de omgeving, de mogelijke nadelige gevolgen van de uitvoering van het project en de maatregelen die worden getroffen om deze nadelige gevolgen te beperken.

Procedure projectplan

De dijkverlegging Meerse Kamp vormt een project in de zin van artikel 5.5 van Waterwet. Dit houdt in dat het projectplan voor de dijkverlegging de benodigde watervergunning(en) vervangt. Het projectplan dient te worden voorbereid met toepassing van de procedure van afdeling 3.4 Algemene wet bestuursrecht. Eenieder mag in deze procedure een zienswijze op het ontwerp van het projectplan dienen (dus niet alleen belanghebbenden). Daarnaast dient een projectplan voor een primaire waterkering als de Meerse Kamp binnen twaalf weken na het einde van de ter inzage legging worden vastgesteld, om zo spoedig mogelijk de overstromingsrisico's te kunnen beperken.

Tenslotte is in de Waterwet voor de voorbereiding van uitvoeringsbesluiten ten behoeve van het projectplan voorzien in een specifieke coördinatieprocedure, die ertoe leidt dat alle besluiten (vergunningen e.d.) binnen hetzelfde tijdsbestek worden genomen.

1.6.2 Projectplan Sluitstukkaden Maasdal, Dijkring 81

Voor te verbeteren dijkvakken binnen Dijkring 81 (Ohé en Laak) is één projectplan opgesteld. In het projectplan 'Sluitstukkaden Maasdal - Cluster A Dijkring 81 (Ohé en Laak)' heeft waterschap Roer en Overmaas de verbeteringen aan de dijkvakken beschreven, die nodig zijn om te voldoen aan de veiligheidsnormen voor de waterkeringen langs de Maas.In de bijlagen is het vollledige projectplan opgenomen. In onderstaande paragraaf is een samenvatting van het projectplan weergegeven.

Huidige situatie dijkvak Meerse Kamp-Schuttersweg

Het dijkvak Meerse Kamp-Schuttersweg (dijkvak 50.630.33) heeft een lente van 436 meter en heeft deels verharde en deels onverharde kruin. Uit toetsing van het dijkvak aan de veiligheidsnormen is gebleken dat de huidige waterkering niet voldoet aan de stabiliteitseisen (faalmechanismen) bij hoogwater. De huidige waterkering laat te veel water onder de dijk door (piping, heave), de kans op afschuiven van delen van de waterkering is te groot (macro- en microinstabiliteit) en er bevinden zich teveel niet-waterkerende objecten (bomen, gebouwen) in de waterkering.

Op onderstaande afbeelding zijn de faalmechanismen schematisch weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0004.jpg"

Dijkverlegging

In het projectplan is gekozen om de waterkering Meerse Kamp-Schuttersweg naar het westen te verleggen, aansluitend op de weg Eiland. De visvijver, het park en de woning Eiland 34 komen daardoor buitendijks te liggen.

De toekomstige buitendijkse ligging van de visvijver en het park draagt bij aan vergroting van het (bergend deel van) het rivierbed van de maas en sluit aan op de plannen van de gemeente Maasgouw voor vernatting van het gebied. De woning Eiland 34 ligt op een hoogwatervrije verhoging (terp).

De nieuwe waterkering wordt aangelegd volgens het 'normprofiel' voor primaire waterkeringen langs de Maas. De ruimte tussen de weg Eiland en de nieuwe waterkering wordt opgevuld.

In hoofdstuk 4 is de toekomstige situatie van de waterkering, het park en de omgeving nader toegelicht.

1.6.3 Relatie projectplan en bestemmingsplan

In het projectplan wordt een beschrijving gegeven van het werk en de wijze waarop het aanleggen of wijzigen zal worden uitgevoerd.

Het voorliggende bestemmingsplan vormt een planologische 'vertaling' van een deel van de werken en maatregelen die in het projectplan 'Sluitstukkaden Maasdal - Cluster A: Ohé en Laak, Stevensweert' zijn beschreven.

Het projectplan vormt een zelfstandig besluit in de zin van art. 3.4 van de Algemene wet bestuursrecht. Tegen het projectplan 'Sluitstukkaden Maasdal - Cluster A: Ohé en Laak, Stevensweert' kan daarom in het kader van dit bestemmingsplan niet opnieuw een zienswijze en/of beroep worden ingediend. Wel kan de wijze waarop het projectplan is vertaald in de regels en de verbeelding van het plan aan de orde komen, indien belanghebbenden bijvoorbeeld van oordeel zijn dat dit onjuist is gebeurd.

Hoofdstuk 2 Huidige situatie

2.1 Ruimtelijke structuur

De huidige dijk is gelegen tussen de visvijver Meerse Kamp en de Oude Maas en eindigt bij de Schuttersweg (noordzijde) en de Eilandbrug (zuidzijde). Langs de dijk bevindt zich een woning op een terp (Eiland 34), die onderdeel uitmaakt van de kering.

De dijk is hier van slechte kwaliteit (sterk instabiel). De stabiliteit van het binnen- en buitentalud is duidelijk onvoldoende. In onderstaande figuur is de ligging van de bestaande dijk weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0005.png"

Om bovengenoemde faalmechanismen te voorkomen, zijn grootschalige maatregelen nodig. Vanwege de slechte kwaliteit van de dijken tussen de Meerse Kamp en de Oude Maas en het gebrek aan ruimte voor verzwaring is voor dit dijkvak een verlegging vastgesteld.

2.2 Functionele inrichting

Het plangebied is in gebruik als visvijver en een park, waarin een kleinschalig dierenpark is opgenomen. Aan de oostzijde van het plangebied (Eiland 34) bevindt zich een woning met cultuurhistorische waarde (voormalige brugwachterswoning met daarbij een voormalige brouwerij en cafe).

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0006.png" afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0007.png"

Zicht op het dierenpark. Voormalige brugwachterswoning Eiland 34.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0008.png"

Zicht vanaf Eiland richting het dierenpark.

Hoofdstuk 3 Beleidskader

De ontwikkelingen die in het voorliggende bestemmingsplan mogelijk worden gemaakt dienen aan te sluiten bij de voor het plan en het plangebied relevante beleid, wet en regelgeving. In dit hoofdstuk wordt de toetsing van het plan aan het ruimtelijk/planologisch beleid van het rijk, de provincie Limburg en de gemeente Maasgouw beschreven. De toetsing van het plan aan het sectorale beleid voor diverse (milieu)aspecten wordt behandeld in de beschrijving van de omgevingseffecten in hoofdstuk 5.

3.1 Rijksbeleid

Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte

In de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte (SVIR, maart 2012) staan de plannen voor ruimte en mobiliteit. Daarin beschrijft het kabinet in welke infrastructuurprojecten het wil investeren. De Rijksoverheid richt zich daarnaast op:

  • rijksverantwoordelijkheden voor basisnormen op het gebied van milieu, leefomgeving, (water-)veiligheid en het beschermen van unieke ruimtelijke waarden;
  • rijksbelangen inzake (inter-)nationale hoofdnetten voor mobiliteit en energie;
  • rijksbeleid voor ruimtelijke voorwaarden die bijdragen aan versterking van de economische structuur.

In de SVIR is ruimte voor waterveiligheid benoemd als nationaal belang. Het Rijk is verantwoordelijk voor het integrale beheer van het hoofdwatersysteem en, samen met de waterschappen, verantwoordelijk voor de bescherming van Nederland tegen overstromingen. Het hoofdwatersysteem van Nederland bestaat uit de Noordzee, de Waddenzee, het IJsselmeer, het Markermeer, de Randmeren, de grote rivieren, de Zuidwestelijke Delta en de rijkskanalen. Het beheer van het watersysteem is gericht op het meebewegen met natuurlijke processen waar het kan en het bieden van weerstand waar het moet. Naast preventie als primaire pijler bij de bescherming tegen overstromingen, is het waterveiligheidsbeleid ook gericht op het beperken van de gevolgen van overstromingen als gevolg van keuzes in de ruimtelijke planning en het op orde krijgen en houden van de rampenbeheersing (meerlaags veiligheid). Het Rijk beschermt de primaire waterkeringen (dijken, dammen, kunstwerken en duinen) die in beheer zijn bij het Rijk evenals het kustfundament. Ook stelt het Rijk normen aan de primaire waterkeringen, ook die in beheer bij waterschappen. Daarnaast is de Planologische Kernbeslissing 'Ruimte voor de Rivier' expliciet benoemd in de structuurvisie. Deze blijft bestaan als uitwerking van de SVIR.

Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

In de Structuurvisie Infrastructuur (SVIR) en Ruimte heeft de Rijksoverheid de nationale belangen omschreven waarvoor het Rijk zelf verantwoordelijkheid draagt. Een goede doorwerking van deze nationale belangen wordt juridisch geborgd via het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (Barro).

De nationale belangen betreffen onder meer onderwerpen op het gebied van de hoofdinfrastructuur (reserveringen rond hoofdwegen en hoofdspoorwegen, vrijwaring rond rijksvaarwegen en hoofdbuisleidingen), de elektriciteitsvoorziening, het vereenvoudigde regime van de ecologische hoofdstructuur en waterveiligheid (bescherming van primaire waterkeringen en bouwbeperkingen in het IJsselmeergebied).

3.2 Provinciaal beleid

Omgevingsvisie POL 2014

Het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL) is op 12 december 2014 door Provinciale Staten van Limburg vastgesteld. In het POL2014 staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op klimaatverandering. Kwaliteit staat centraal. Dat komt tot uiting in het koesteren van de gevarieerdheid van Limburg onder het motto 'meer stad, meer land', in het bieden van ruimte voor verweving van functies, in kwaliteitsbewustzijn en in dynamisch voorraadbeheer dat moet resulteren in een nieuwe vorm van groeien. Per regio worden visies gemaakt waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijzen worden uitgewerkt. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Als basis hiervoor bevat het POL2014 uitgewerkte regiovisies voor Noord-, Midden- en Zuid-Limburg.

Landelijk gebied

Het landelijk gebied wordt geconfronteerd met een aantal stevige opgaven en vraagstukken die in het POL om antwoord vragen, zoals de klimaatopgave (die zich vertaalt in vraagstukken op het gebied van hoogwaterveiligheid en regionale wateroverlast én van watertekorten en droogte), de biodiversiteitsopgave, de waterkwaliteitsopgave en de opgaven in de watervoorziening. Belangrijk is ook om ruimte te bieden aan de economische sectoren die nauw met dat landelijk gebied verbonden zijn. De land- en tuinbouw, deels intensief en grootschalig, deels juist kleinschalig met een tendens naar verbreding met niet-agrarische nevenfuncties en daarnaast ook onderdelen van de vrijetijdseconomie. Het landelijk gebied wordt op hoofdlijnen en indicatief onderverdeeld in vier zones:

  • goudgroene natuurzones;
  • zilvergroene natuurzones;
  • bronsgroene landschapszone;
  • buitengebied.

Het plangebied valt binnen de 'bronsgroene landschapszone'. Deze zones worden gevormd door de rivier- en beekdalen en de steilere hellingen, voor zover die niet reeds onderdeel uitmaken van de goudgroene of zilvergroene natuurzones, én de relatieve rijkdom aan cultuurhistorische en landschappelijke waarden. Het betreft overwegend landbouwgronden maar ook andere functies als verblijfsrecreatieve terreinen, woningen en linten van bebouwing. De zonering is indicatief op kaart gezet. Het Buitengebied omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en clusters van bebouwing.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0009.png"

Maasvallei

De Limburgse Maasvallei is een aantrekkelijk woon-, werk-, en leefgebied met een hoogwaterbescherming die voldoet aan de wettelijke eisen, ook op de lange termijn, rekening houdend met klimaatverandering en mogelijke herijking van normen voor hoogwaterveiligheid. Het wettelijk veiligheidsniveau van 1:250 per jaar overschrijdingskans moet worden bereikt. Daarvoor moeten tot en met 2024 nog een groot aantal projecten worden gerealiseerd en dijkverbeteringen worden uitgevoerd. Het waarborgen van de kwaliteiten van de Maas en haar vallei nu en in de toekomst, vergt een benadering langs verschillende wegen:

  • Samen: door de complexiteit van bevoegdheden van de verschillende overheden en overige partners in de Maasvallei is samenwerking met name tussen rijk, Provincie, gemeenten en waterschappen een eerste vereiste. De provincie wil daarin de regie nemen. Daarbij is solidariteit in lusten en lasten binnen de Maasvallei voor ons het uitgangspunt.
  • Integraal: enkel integrale gebiedsgerichte oplossingen kunnen een antwoord geven op de veranderende hoogwateropgave voor de Maas en de toekomst van bewoners en gebruikers van de Maasvallei.

Als principe wordt gehanteerd dat de hoogwateropgave (klimaatopgave en de aanpassing van de veiligheidsnorm) met maatregelen in de eerste laag (preventie: het voorkomen van risico/schade door rivierverruiming en/of keringen) moet worden gerealiseerd. Maatregelen in laag 2 (ruimtelijke ordening en fysieke aanpassingen in de ruimte) en laag 3 (calamiteiten beheer en herstel) worden vooral ingezet voor het reduceren van het restrisico.

Het beleid ten aanzien van de korte-termijnopgaven (de uitvoering van de Maaswerken en de bestuursovereenkomst ‘Droge voeten voor Limburg’ uit 2011) wordt onverkort doorgezet.

De verschillende gebiedsontwikkelingen (met name Maasplassen en Limburg-Noord) worden benaderd vanuit de transitie van reactief naar proactief en op haalbaarheid getoetst. Synergie met een duurzaam robuust watersysteem en functionele perspectieven moeten gewaarborgd worden. De verschillende uitwerkingen van het huidige beleid (met name de dijkverbeteringen) ondergaan nog een “no regret” toets in relatie tot de Deltaopgave enerzijds en het schrappen van de zogenoemde ’overstroombaarheidseis’ anderzijds.

Bij gebiedsontwikkelingen in de Maasvallei moet rekening gehouden worden met de hoofdfuncties van de rivier (afvoer van water en ijs, scheepvaart, drinkwatervoorziening, waterrecreatie en aquatisch ecologie) en ook de hoofdfuncties van het gebied (agrarisch, natuur, wonen, werken, oeverrecreatie en dergelijke). Belangrijk is om bij deze aanpak ook de volgende ontwikkelingen te betrekken:

  • tijdig inspelen en anticiperen op overstromingsrisicobeheer (overstromingsrisico’s worden in beeld gebracht via het project ‘Veiligheid Nederland in Kaart’ van het Rijk);
  • het RWS-project Vervangingsopgave Natte Kunstwerken, waarbij de vervanging van met name de stuwen medio jaren ’30 van deze eeuw aan de orde is;
  • de beleidsprocessen ten aanzien van de (nationale en regionale) waterbeleids- en beheerplannen en die van de Kaderrichtlijn Water.

Provinciale Omgevingsverordening

Ook de Omgevingsverordening is op 12 december 2014 door Provinciale Staten vastgesteld. In de Omgevingsverordening is dwingend vastgelegd hoe omgegaan moet worden met onder meer de goudgroene natuurzone, de bronsgroene landschapszone en de zone natuurbeken.

Ook de Omgevingsverordening is op 12 december 2014 door Provinciale Staten vastgesteld. De Omgevingsverordening Limburg is een samenvoeging van de Provinciale milieuverordening, de Wegenverordening, de Waterverordening en de Ontgrondingenverordening. Daarnaast bevat de verordening in het hoofdstuk 'Ruimte' regels ten behoeve van de doorwerking van het ruimtelijke beleid van POL 2014 naar gemeentelijke ruimtelijke plannen en zijn de verordeningen Veehouderijen en Natura 2000 (van oktober 2013) en Wonen Zuid-Limburg (van juli 2013) opgenomen. Hiermee zijn alle verordeningen die betrekking hebben op het omgevingsbeleid ondergebracht in één document.

Het plangebied is gelegen binnen de bronsgroene landschapszone. In ruimtelijke plannen binnen deze zone moet op grond van de omgevingsverordening worden aangegeven hoe met de aanwezige kwaliteiten wordt omgegaan. De kernkwaliteiten in de Bronsgroene landschapszone zijn het groene karakter, het visueel-ruimtelijk karakter, het cultuurhistorisch erfgoed en het reliëf. Deze kwaliteiten worden door de aanleg van de waterkering niet aangetast. Zie hiervoor ook de planbeschrijving in Hoofdstuk 4.

3.3 Gemeentelijk beleid

Structuurvisie Maasgouw 2030

De raad van de gemeente heeft op 5 juli 2012 de Structuurvisie Maasgouw 2030 vastgesteld.

De structuurvisie schetst het beeld van hoe de gemeente Maasgouw er op lange termijn, namelijk in 2030, uitziet. Dit toekomstbeeld wordt in de huidige situatie door de huidige samenleving bepaald. Er is daarbij een zelfde spanningsveld ten opzichte van het verleden. We leven in gebouwen en gebruiken plekken die lang geleden voor een andere economie en een andere samenleving zijn gebouwd. Gebouwen en plekken die vaak niet aan eisen en wensen van de huidige samenleving beantwoorden. Dit betekent, dat bij het bepalen van dit toekomstbeeld de onzekerheid en dynamiek van de huidige economie en samenleving niet leidend zijn. Een helder toekomstbeeld stimuleert nieuwe investeringen en beperkt de gevolgen van de krimp van de bevolking.

Op onderstaande afbeelding is een uitsnede van de structuurvisiekaart weergegeven. Het plangebied (rood omcirkeld) is als 'groen' aangeduid met daarbij de aanduiding 'dorpsmantel'.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0010.png"

Stevensweert

De kern Stevensweert en omgeving vallen in de structuurvisie binnen het deelgebeid 'Eiland'. Voor dit deelgebied worden in de structuurvisie verschillende doelen genoemd zoals blauwe ontwikkeling, natuur- en landschapsontwikkeling, het behoud en versterking van cultuurhistorische waarden. Een voor het plangebied relevant beleidsdoel is dat men streeft naar het behoud van de groenzones ten noorden en oosten van Stevensweert.

Daarnaast worden in de structuurvisie diverse recreatieve mogelijkheden geschetst voor het Eiland en omgeving. Dit vormt geen belemmering voor de geschetste mogelijkheden.

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Doelstellingen en uitgangspunten

Zoals hierboven aangegeven, is de stabiliteit van het binnen- en buitentalud van de huidige dijk duidelijk onvoldoende gebleken. Om deze faalmechanismen te voorkomen, zijn grootschalige maatregelen nodig. Vanwege de slechte kwaliteit van de dijk tussen de Meerse Kamp en de Oude Maas en het gebrek aan ruimte voor verzwaring, is voor dit dijkvak gekozen voor een verlegging van de waterkering.

4.2 Ontwikkelingen

In de toekomstige situatie wordt een nieuwe dijk aangelegd langs de weg 'Eiland' waardoor de visvijver en delen van het huidige park buitendijks komen te liggen. Dit past in de plannen van de gemeente om dit gebied te vernatten.

De bestaande verharde weg en begrenzing van particuliere percelen met bebouwing worden niet beïnvloed. De aanleghoogte van de nieuwe dijk is daarbij even hoog als de huidige weg. De nieuwe dijk is in de onderstaande afbeeldingen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0011.png"

Dijkontwerp.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0012.jpg"

Visualisatie van de dijkversterking langs Eiland.

Er wordt een nieuwe dijk aangelegd via de meest westelijke route (om het park langs de weg). De dijk wordt gerealiseerd in grond volgens het normprofiel waardoor de dijk op voldoende hoogte is. Tevens is het talud hiermee aangepast tot het gewenste niveau. In de teen aan de buitenzijde wordt gedeeltelijk een kleiinkassing gerealiseerd. Tussen de Schuttersweg en de nieuwe dijk dient ruimte te worden gehouden voor de aanwezige leidingen die parallel langs de weg lopen in de vorm van een leidingstraat.

Huidige dijk

De huidige dijk blijft in de huidige vorm gehandhaafd. Hierdoor verandert de frequentie waarop er water over deze dijk stroomt in de richting van de Meerse Kamp niet.De dijk blijft in beheer bij het Waterschap Roer en Overmaas. De status van de dijk verandert wel. Deze wordt in de Legger van het Waterschap aangepast van “primaire waterkering” naar “overige kering”.

Hoofdstuk 5 Omgevingsaspecten

5.1 Archeologie en cultuurhistorie

5.1.1 Kaders

Wet op de archeologische monumentenzorg / Monumentenwet

In de Wet op de archeologische monumentenzorg (Wamz) is bepaald dat gemeenten in het kader van ruimtelijke ordening rekening dienen te houden met het archeologisch erfgoed. In dit verband dient bij de voorbereiding van een bestemmingsplan een inventariserend archeologisch onderzoek te worden gedaan, zodat in het plan - indien nodig - een passende regeling kan worden getroffen om aanwezige archeologische waarden te beschermen. In het kader van de modernisering van de Monumentenwet is in het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) opgenomen dat in een bestemmingsplan niet alleen een beschrijving moet staan op welke wijze rekening gehouden wordt met aanwezige of te verwachten monumenten in de grond (archeologie), maar ook met de aanwezige cultuurhistorische waarden.

5.1.2 Onderzoek

Archeologie

In de m.e.r-beoordeling het effect van de nieuwe waterkering op archeologische waarden in het plangebied onderzocht. Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat het een groot deel van het plangebied in het verleden is ontgrond. Archeologische resten zijn daarbij verloren gegaan.

Alleen ter plaatse van de weg Eiland en de aanliggende (historische) bebouwing zijn waarschijnlijk nog archeologische resten aanwezig (zie afbeelding).

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0013.png"

Archeologische waarden- en verwachtingenkaart gemeente Maasgouw. (bron: RAAP-adviesdocument 594 Sluitstukken Maasdal ,Gemeenten Roermond, Maasgouw, Echt-Susteren, Sittard-Geleen, Stein, Meerssen, Maastricht en Eijsden-Margraten, een archeologische quickscan, d.d. juli 2012.

Ter plaatse van de nieuwe waterkering is de bodem in het verleden verstoord. Hier worden geen archeologische resten verwacht en is geen (aanvullend) onderzoek nodig. Het westelijk gedeelte van het plangebied, ter plaatse van de weg Eiland, is een terrein met archeologische waarde. Hier zijn echter geen (graaf)werkzaamheden voorzien ten behoeve van de aanleg van de nieuwe waterkering.

Dubbelbestemming Waarde - Archeologie

Ter bescherming van de archeologische waarden in het westelijk deel van het plangebied, is op de verbeelding van dit bestemmingsplan een dubbelbestemming Waarde - Archeologie opgenomen. In de regels van de dubbelbestemming is bepaald dat (graaf)werkzaamheden in het gebied van archeologische waarde alleen zijn toegestaan met een omgevingsvergunning. Voor het verkrijgen van de omgevingsvergunning dient aan de hand van de gemeentelijke archeologische verwachtingswaarde kaart en/of archeologisch onderzoek te worden gemotiveerd dat de werkzaamheden vanuit het oogpunt van de bescherming van archeologische waarden toelaatbaar zijn.

Historische bouwkunde

De historische boerderij Eiland 34 blijft gehandhaafd. De dijkversterking heeft geen fysiek of visueel effect op de cultuurhistorische waarde(n) van deze boerderij.

5.1.3 Conclusies

Archeologie

Ter plaatse van de nieuwe waterkering is de bodem in het verleden ontgrond. Hier worden geen archeologische resten verwacht en is geen (aanvullend) onderzoek nodig.

Historische bouwkunde

De dijk versterking heeft geen fysiek of visueel effect op de cultuurhistorische waarde(n) van de historische boerderij Eiland 19.

5.2 Bodemkwaliteit

5.2.1 Kaders

Aardkundige waarden

Aantasting van aardkundige waarden en bodemopbouw kan optreden bij grondroerende activiteiten dieper dan 30 cm of indien geomorfologische reliëfvormen worden afgedekt met grond.

Bodemkwaliteit

Artikel 3.1.6 van het Besluit op de ruimtelijke ordening geeft aan dat in het kader van de uitvoerbaarheid van een plan onderzoek dient te worden verricht naar de bodemgesteldheid in het plangebied. Uitgangspunt daarbij is dat nieuwe bestemmingen bij voorkeur op schone gronden worden gerealiseerd. Bij functiewijzigingen dient te worden bekeken of de bodemkwaliteit geschikt is voor de beoogde nieuwe functie of dient te worden gesaneerd.

5.2.2 Onderzoek

Aardkundige waarden

Ter plaatse van de nieuwe waterkering liggen geen beschermde aardkundige monumenten of plekken met een hoge aardkundige waarde.

Bij de aanleg van de nieuwe waterkering wordt de ondergrond tot een maximale diepte van circa 50 cm beneden maaiveld geroerd. Deze werkzaamheden geen effect op de - herkenbaarheid van - de bodemstructuur, omdat deze niet dieper reiken dan de bouwvoor (geroerde ondergrond) en over beperkte breedte van de nieuwe waterkering plaats vinden.

Bodemkwaliteit

De extra aan te voeren grond voor de nieuwe waterkering zal voldoen aan de eisen die daaraan gesteld worden vanuit de wettelijke kaders (Besluit bodemkwaliteit). De nieuwe waterkering heeft geen effect op de kwaliteit van de onderliggende bodem.

5.2.3 Conclusies

De aanleg van de nieuwe waterkering heeft geen negatieve effecten op aardkundige waarden en de bodemkwaliteit van het plangebied.

5.3 Landschap

5.3.1 Kaders

Landschapskader Noord- en Midden Limburg (2009)

Het Landschapskader Noord- en Midden Limburg geeft inzicht te geven in de ontstaandsgeschiedenis en verschijningsvorm van het huidige landschap en vormt een inspiratiebron en toetsingskader om tot kwaliteitsverbeteringen te komen voor het Noord- en Midden-Limburgse landschap. Aan de hand van zowel kenmerkende beelden van de huidige situatie, als aansprekende ontwikkelingsmogelijkheden voor de toekomst wil de provincie Limburg met het Landschapskader initiatiefnemers en beleidsmakers inspireren tot passende ruimtelijke ontwikkelingen die bijdragen aan een aantrekkelijker landschap om in te wonen, te werken en te recreëren.

Voor initiatiefnemers van zowel aan landbouw en natuur (groene), aan water (blauwe), als aan bebouwing en infrastructuur (rode) gerelateerde ontwikkelingen kunnen aan de hand van het Landschapskader tevens toetsen welke ontwikkelingen op een bepaalde plek landschappelijk gezien wenselijk en mogelijk zijn.

5.3.2 Onderzoek

In de m.e.r.-beoordeling is het effect van de dijkverlegging op landschappelijke waarden in het plangebied onderzocht. Uit de m.e.r.-beoordeling is gebleken dat het kappen en rooien van bomen om ruimte te maken voor de nieuwe waterkering het voornaamste effect op het bestaande landschap vormt. De aanwezige bomen beoordeeld op landschappelijke, ecologische en cultuurhistorische waarde en getoetst aan het bomenbeleid van de gemeente Maasgouw.

Bij het uitwerken van de nieuwe waterkering wordt geprobeerd waardevolle bomen te behouden, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn.

De nieuwe dijk komt langs de weg Eiland te liggen. Omdat de dijk ongeveer dezelfde hoogte krijgt als de weg, vermindert het zicht vanuit de aanliggende woningen op het omringende landschap niet. De nieuwe waterkering heeft dus geen negatieve visuele effecten op het landschap.

5.3.3 Conclusies

Bij het uitwerken van de nieuwe waterkering wordt geprobeerd waardevolle bomen te behouden, maar dit zal niet altijd mogelijk zijn.

5.4 Ecologie

5.4.1 Kaders

De bescherming van natuur in Nederland is vastgelegd in Europese en nationale wet- en regelgeving, waarin een onderscheid wordt gemaakt tussen soortenbescherming en gebiedsbescherming. De soortenbescherming is in Nederland geregeld in de Flora- en faunawet en de gebiedsbescherming in de Natuurbeschermingswet 1998.

Gebiedsbescherming

Door middel van gebiedsbescherming wordt een beschermingskader geboden voor de flora en fauna binnen aangewezen beschermde gebieden. Hieronder vallen de speciale beschermingszones volgens de Europese Vogel- en Habitatrichtlijn (Natura 2000), gebieden die deel uitmaken van de Ecologische Hoofdstructuur (EHS), beschermde natuurmonumenten en staatsnatuurmonumenten. Een belangrijk onderdeel van de Natuurbeschermingswet is dat er geen vergunning gegeven mag worden voor handelingen of projecten die schadelijk kunnen zijn voor de kwaliteit van de habitats van soorten, waarvoor een gebied is aangewezen. Wanneer niet op voorhand uitgesloten kan worden dat er schadelijke effecten kunnen optreden, dan dient de initiatiefnemer een 'passende beoordeling' te maken. Dat betekent een onderzoek naar alle aspecten van het project en welke gevolgen die kunnen hebben voor datgene wat bescherming geniet.

Soortenbescherming

Het doel van de Flora- en faunawet is het instandhouden en beschermen van in het wild voorkomende planten- en diersoorten. De Flora- en faunawet kent zowel een zorgplicht als verbodsbepalingen. De zorgplicht geldt te allen tijde voor alle in het wild levende dieren en planten en hun leefomgeving. De verbodsbepalingen zijn gebaseerd op het 'nee, tenzij'-principe. Alle schadelijke handelingen ten aanzien van beschermde planten- en diersoorten zijn in principe verboden, maar er kan worden afgeweken van de verbodsbepalingen middels ontheffingen. Er bestaan drie beschermingsregimes voor drie verschillende groepen van beschermde soorten. Voor de algemeen beschermde soorten (tabel 1) geldt een algemene ontheffing voor ruimtelijke ingrepen. Ook voor de overige beschermde soorten (tabel 2) is ontheffing mogelijk, mits wordt gewerkt volgens een goedgekeurde gedragscode. Voor strikt beschermde soorten (tabel 3) kan enkel afgeweken worden na een uitgebreide toetsing.

5.4.2 Onderzoek

Beschermde gebieden

In Natura 2000-gebied Grensmaas, dat in de nabijheid ligt van het plangebied komen de volgende soorten voor die gevoelig zijn voor fysische verstoring:

  • Bever;
  • Gaffellibel;
  • Rivierdonderpad;
  • Rivierprik;
  • Zalm;
  • Spaanse vlag.

Uit de m.e.r.-beoordeling en het projectplan is gebleken dat de werkzaamheden van een zodanig beperkte omvang zijn, dat de kans dat deze soorten hiervan last zullen ondervinden uitgesloten is. De ingrepen dragen voorts niet bij aan verreikende effecten, zoals stikstofdepositie of verdroging.

De voorgenomen activiteit heeft geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebieden.

Daarnaast worden de wezenlijke kenmerken en waarden van de nationale natuurnetwerken niet aangetast door de dijkverlegging. Om de -lokaal waardevolle- vegetatie voor de nationale natuurnetwerken op de waterkeringen te behouden en om de ontwikkeling van natuurdoeltype 'bloemdijk' na de werkzaamheden weer mogelijk te maken, wordt de huidige deklaag na verbreding van de waterkeringen teruggebracht.

Beschermde soorten

Uit de m.e.r.-beoordeling en het projectplan is gebleken dat dat bij uitvoering van de dijkverlegging mogelijk negatieve effecten te verwachten zijn op:

  • Vaatplanten;
  • Vleermuizen;
  • Vogels.

Op de overige soortgroepen worden geen negatieve effecten op beschermde soorten (of functies) verwacht.

Vaatplanten

In het plangebied komen beschermde soorten vaatplanten uit tabel 2 van de Flora- en faunawet voor. Omdat de werkzaamheden voor de dijkverlegging worden uitgevoerd conform de Gedragscode Flora- en faunawet voor waterschappen, zijn de werkzaamheden vrijgesteld van de Flora- en faunawet.

De in deze gedragscode genoemde adviezen zullen tijdens de werkzaamheden worden opgevolgd.

Vleermuizen

In het plangebied zijn verblijfplaatsen van gewone dwergvleermuizen aanwezig in bomen. Bij werkzaamheden voor de dijkverlegging kunnen deze verblijfplaatsen verstoord raken, als bomen worden gerooid.

Er zijn tijdens het veldonderzoek geen winter-, zomer- en/of kraamverblijfplaatsen waargenomen. Daarnaast zijn er geen (essentiële) vliegroutes en foerageergebieden waargenomen.

Het rooien van bomen heeft een negatief effect op de lokaal aanwezige populatie. Uit de m.e.r.-beoordeling en het projectplan is gebleken dat het om een gering aantal dieren gaat, de werkzaamheden hebben in dat geval geen effect op de gunstige staat van instandhouding van de soort. Mitigatie is voor dit dijkvak niet aan de orde. Er is immers geen ontheffing nodig.

Vogels

Voor mogelijk aanwezige soorten broedvogels geldt dat de werkzaamheden buiten het broedseizoen uitgevoerd dienen te worden. Wanneer niet buiten het broedseizoen gewerkt kan worden wordt het plangebied voorafgaande aan de werkzaamheden door een deskundige op het gebied van beschermde soorten onderzocht op de aanwezigheid van broedgevallen.

5.4.3 Conclusies

De dijkverlegging heeft geen significant negatief effect op de instandhoudingsdoelstellingen van Natura 2000-gebied Grensmaas en leidt niet tot aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden van de EHS.

In het plangebied bevinden zich beschermde vaatplanten, vleermuizen en vogels. Om negatieve effecten op deze soorten te voorkomen worden de volgende maatregelen genomen:

  • Vaatplanten: de werkzaamheden vallen onder het protocal Flora- en fauunawet voor waterschappen;
  • Vogels: de werkzaamheden worden - waar mogelijk - buiten het broedseizoen uitgevoerd.

5.5 Water

5.5.1 Kaders

In Nederland heeft water een eigen plaats gekregen in de ruimtelijke besluitvorming via de watertoets. De watertoets houdt in dat bij het maken van ruimtelijke plannen al in een vroeg stadium bekeken moet worden wat de gevolgen zijn voor water en de ruimtelijke ordening. De watertoets is een proces waarbij overleg wordt gevoerd met de waterbeheerder. De waterbeheerder stelt in dit proces de kaders vast en geeft een wateradvies voor verschillende waterhuishoudkundige aspecten. De watertoets resulteert uiteindelijk in een waterparagraaf, die in de toelichting van het ruimtelijke plan wordt opgenomen.

Dijkversterking

De belangrijkste opgave voor hoogwaterbescherming langs de Maas is het realiseren van het wettelijke beschermingsniveau. In 2010 en 2011 zijn door de waterschappen bestuursovereenkomsten gesloten met het Rijk en Provincie Limburg om ervoor te zorgen dat in de komende jaren de dijken op orde worden gebracht (1:250 overschrijdingskans). Vanuit deze lopende bestuursovereenkomsten voert het Waterschap in de komende jaren diverse dijkverbeteringsprojecten uit.

Zorgplicht waterkeringen

Voor het aanleggen, beheren, onderhouden, toetsen en verbeteren van waterkeringen hanteert het Waterschap de landelijke leidraden voor dijkverbetering, het wettelijk toetsinstrumentarium en het Kader voor de zorgplicht op de waterkeringen als uitgangspunt.

Nationaal Waterplan

In december 2009 heeft het kabinet het Nationaal Waterplan 2009 - 2015 vastgesteld. Dit plan geeft op hoofdlijnen aan welk beleid het Rijk in de periode 2009 - 2015 voert om te komen tot een duurzaam waterbeheer. Het Nationaal Waterplan richt zich op bescherming tegen overstromingen, voldoende en schoon water en diverse vormen van gebruik van water. Ook worden de maatregelen genoemd die hiervoor worden genomen.

Het Nationaal Waterplan is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998 en vervangt alle voorgaande nota's waterhuishouding. Het Nationaal Waterplan is opgesteld op basis van de Waterwet die met ingang van 22 december 2009 van kracht is. Op basis van de Wet ruimtelijke ordening heeft het Nationaal Waterplan voor de ruimtelijke aspecten de status van structuurvisie. In het Nationaal Waterplan is een eerste uitwerking gegeven aan het Deltaprogramma dat is opgesteld naar aanleiding van het advies van de Deltacommissie in 2008. Het Deltaprogramma is gericht op de verbetering van de veiligheid en de zoetwatervoorziening. Momenteel is het Nationaal Waterplan 2016-2021 in voorbereiding.

Deltaprogramma

Het Deltaprogramma 2015 is op prinsjesdag 2014 aan het kabinet aangeboden. In het Deltaprogramma 2015 wordt een nieuwe normering voor de waterveiligheid ontwikkeld en uitgewerkt. De huidige, wettelijk verankerde overschrijdingskansnorm voor dijken wordt over enkele jaren vervangen door een overstromingskansnorm op basis van een risicobenadering, waarbij de kans op een overstroming en het gevolg van een overstroming beide in beeld worden gebracht. Het voorstel is om deze nieuwe aanpak gepaard te laten gaan met het uitgangspunt van een basisveiligheid (een kans van overlijden van niet meer dan 1 op 100.000 per jaar (10-5) voor iedereen die woont of werkt in een gebied dat door dijken, duinen en dammen wordt beschermd). In sommige gebieden (met veel mensen en/of hoge economische waarden) kan de keus voor een hoger beschermingsniveau gewenst en economisch rendabel zijn. Hierdoor is ook meer maatwerk mogelijk, ook binnen een dijkring. De maatregelen voor veiligheid zullen deels uit ‘klassieke’ dijkversterkingen bestaan en deels uit ruimtelijke oplossingen (Ruimte voor de rivier). De keuze is afhankelijk van de lokale situatie en de kosten en baten. Deze maatregelen worden onder andere uitgewerkt in het Deltaprogramma Rivieren, Voorkeursstrategien en Deltabeslissingen.

Beleidslijn Grote Rivieren

De in 2006 vastgestelde Beleidslijn Grote Rivieren waarborgt de veilige afvoer en berging van rivierwater onder normale en onder maatgevende hoogwaterstanden. Tevens geldt dat het bieden van mogelijkheden voor ruimtelijke ontwikkelingen, binnen de randvoorwaarden die de veiligheid stelt, van belang is voor het behoud en de versterking van de ruimtelijke kwaliteit van het rivierbed. Voor de Beleidslijngrote rivieren gelden twee concrete doelstellingen:

  • de beschikbare afvoer- en bergingscapaciteit van het rivierbed behouden;
  • ontwikkelingen tegen gaan die de mogelijkheid tot rivierverruiming door verbreding en verlaging nu en in de toekomst feitelijk onmogelijk maken.

De beleidslijn verenigt twee sporen van beleid; de Waterwet en de Wet ruimtelijke ordening. Voor elke activiteit in het rivierbed is een vergunning in kader van de Waterwet nodig. Daarnaast is een goede afweging in het ruimtelijk spoor (structuurplannen en bestemmingsplannen (en dus ook bestemmingsplannen)) noodzakelijk om te voorkomen dat er bestemmingsplancapaciteit ontstaat voor activiteiten die niet, of slechts onder bepaalde voorwaarden, zijn toegestaan. Doorwerking in het spoor van de ruimtelijke ordening voorkomt het afgeven van vergunningen voor activiteiten waarvoor de vergunning op grond van de Waterwet moet worden geweigerd. Een goede doorwerking van het beleid vereist een adequate coördinatie tussen de ruimtelijke ordening en de toepassing van de Waterwet.

Provinciaal Waterplan

Het Provinciaal Waterplan Limburg bevat de ambities, opgaven en op hoofdlijnen de maatregelen die de komende 6 jaar worden uitgevoerd, op gebied van de hoogwaterbescherming in de Maasvallei, de aanpak van regionale wateroverlast en watertekort, mede in het licht van de klimaatverandering en het Nationale Deltaprogramma, de inrichting van de beken en waterrijke natuurgebieden als ook de verbetering van de ecologische en chemische waterkwaliteit, en de drinkwatervoorziening en het grondwaterbeheer, mede als opdracht vanuit de Kaderrichtlijn Water.

Het Provinciaal Waterplan 2016-2021 is de opvolger van het Provinciaal Waterplan 2010-2015 en heeft de status van een regionaal waterplan, als bedoeld in artikel 4.4 van de Waterwet en is daarmee voor de ruimtelijke aspecten tevens een structuurvisie op grond van de nieuwe Wet ruimtelijke ordening. Het is een uitwerking en verdere detaillering van het regionaal waterbeleid in het POL2014, noodzakelijk om verdere invulling te geven aan het provinciale waterbeleid en om aan de vereisten van de KRW en de Waterwet te voldoen. Na vaststelling door Provinciale Staten vormt het Provinciaal Waterplan 2016-2021 onderdeel van het POL-planstelsel, met daarbinnen POL2014 als het Provinciaal Omgevingsplan op hoofdlijnen.

Het plan past binnen de kaders van het provinciaal waterplan.

Waterbeheerplan Waterschap Roer en Overmaas 2016 - 2021

In het Waterbeheerplan staat hoe het Waterschap invulling geeft aan de taak om te zorgen voor veilige dijken, droge voeten en voldoende en schoon water. In het Waterbeheerplan heeft het Waterschap vastgelegd hoe zij het watersysteem en de waterkeringen op orde wil brengen en houden. In het plan staan hiervoor de opgaven en strategie beschreven en de maatregelen die de waterschappen voornemen in de planperiode uit te voeren. Voorbeelden van maatregelen zijn: het aanleggen en verbeteren van dijken tegen overstromingen, het aanpakken van knelpunten van wateroverlast, herstellen van beken en het verbeteren van de effluentkwaliteit van de rioolwaterzuiveringsinstallaties. Het Waterbeheerplan is opgesteld met inachtneming van de eisen zoals die voortvloeien uit de Europese Kaderrichtlijn Water (KRW). Het vormt mede een basis voor het door het Rijk als uitvloeisel van de KRW vast te stellen Stroomgebiedbeheerplan (SGBP).

Onderstaande afbeelding is een uitsnede uit de kaart 3 'Te verbeteren dijken' uit het Waterbeheerplan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL068-VG01_0014.png"

5.5.2 Onderzoek

Bij het opstellen van het projectplan, zijn de effecten van de dijkverlegging op de hoogwaterveiligheid en de kwantiteit en kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater onderzocht. In de onderstaande paragraaf is een samenvatting van de uitkomsten van het projectplan opgenomen.

Hoogwaterveiligheid

De nieuwe waterkering voldoet aan de eisen voor een maximale overstromingskans van 1/250 jaar. De dijkverlegging heeft geen negatief effect op de waterstanden in de Maas.

Grondwater

Om tijdens hoogwater de kwel onder de waterkeringen te verminderen worden op de nieuwe waterkering kleislabben en steunbermen aangebracht. Door deze maatregelen wordt voorkomen dat dat tijdens hoogwater de binnendijkse kwel toeneemt.

Oppervlaktewater

De nieuwe waterkering heeft geen effecten op het binnendijkse oppervlaktewatersysteem. Daarnaast heeft de dijkverbetering geen effect op geen effect op de kwaliteit van het oppervlaktewater in het buitendijks gebied.

5.5.3 Conclusies

De nieuwe waterkering voldoet aan de eisen voor een maximale overstromingskans van 1/250 jaar. De nieuwe waterkering heeft zowel binnen- als buitendijks geen negatieve effecten op de kwantiteit en kwaliteit van het grond- en oppervlaktewater.

5.6 Overige omgevingsaspecten

5.6.1 Externe veiligheid

Voor de aanleg van de nieuwe waterkering zijn geen transporten en/of opslag van gevaarlijke stoffen nodig. Daarnaast leidt het plan niet tot wijziging van (vaar)routes voor vervoer van gevaarlijke stoffen. Dit aspect hoeft voor dit bestemmingsplan daarom niet nader te worden onderzocht.

5.6.2 Geluid

Het grondwerk en grondtransport zal enige geluidoverlast kunnen veroorzaken. De geluidhinder tijdens werkzaamheden is van tijdelijke aard en heeft geen effect op de permanente geluidsbelasting van verkeer, industrie en vaarwegen op woningen in de omgeving. Voor dit bestemmingsplan is daarom geen nader akoestisch onderzoek nodig.

5.6.3 Kabels en leidingen

Tussen de Schuttersweg en de kruin van de nieuwe waterkering zal ruimte worden gehouden voor de bereikbaarheid aanwezige leidingen(straat).

Deze leidingen hebben geen (ruimtelijk relevante) eisen of beschermingszones die in dit bestemmingsplan nader te dienen worden onderzocht of beschermd met een specifieke (dubbel)bestemming.

5.6.4 Luchtkwaliteit

Het grondwerk en grondtransport zal enige stofhinder kunnen veroorzaken. De uitstoot van fijn stof en tijdens werkzaamheden is van tijdelijke aard en levert geen blijvende bijdrage aan (de verslechtering van) de luchtkwaliteit in het plangebied en de omgeving. Voor dit bestemmingsplan is daarom geen luchtkwaliteitsonderzoek nodig.

5.6.5 Verkeer

Er hoeven geen wegen te worden verbreed of verlegd voor de nieuwe waterkering. De toegankelijkheid voor het gemotoriseerde en langzaam verkeer blijven in de nieuwe situatie ongewijzigd. Het plan heeft dank ook geen effect op de verkeersstructuur en de verkeersintensiteiten in het plangebied en de omgeving.

Bouwverkeer

De versterking van de waterkeringen wordt bijna volledig uitgevoerd in grond. Naar verwachting wordt daarbij 60.000 kubieke grond aangevoerd, dit komt overeen met 3.000 vrachtwagenbewegingen.

De bereikbaarheid van woningen en bedrijven blijft gewaarborgd tijdens de uitvoering. Waar nodig worden tijdelijke omleidingsroutes ingesteld.

Hoofdstuk 6 Juridische planopzet

6.1 Standaard

Voor het bestemmingsplan wordt aangesloten op de standaardregels van de gemeente Maasgouw en de handleiding Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012).

6.2 Toelichting op de regels

Dit hoofdstuk bestaat uit een beschrijving van de bestemmingen. Deze kennen per bestemming globaal de volgende opzet:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels voor bouwwerken, niet zijnde gebouwen;
  • Specifieke gebruiksregels.

Hoofdstuk 1 Inleidende regels

Artikel 1: Begrippen

In dit artikel is een aantal begrippen verklaard die genoemd worden in de planregels. Dit artikel voorkomt dat er bij de uitvoering van het plan onduidelijkheden ontstaan over de uitleg van bepaalde regelingen.

Artikel 2: Wijze van meten

In dit artikel is bepaald hoe de voorgeschreven maatvoering in het plan gemeten moeten worden. Evenals de begripsbepalingen voorkomen de bepalingen inzake de wijze van meten interpretatieverschillen bij de toepassing van de planregels.

Hoofdstuk 2 Bestemmingsregels

Artikel 3 Agrarisch met waarden

Een deel van het plangebied is nog in agrarisch gebruik. Aan deze gronden is de bestemming 'Agrarisch met waarden' toegekend. De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de bestemming 'Agrarisch met waarden' zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Stevensweert' (2012).

Artikel 4 Gemengd

Voor de bestaande recreatiewoningen die binnen het onderhavige bestemmingsplan zijn gelegen, is de bestemming 'Gemengd' opgenomen. De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Stevensweert' (2012).

Artikel 5 Groen

Aan de groenvoorzieningen binnen het plangebied is de bestemming 'Groen' gegeven. Hierbinnen is geen andere bebouwing dan ten behoeve van openbare (nuts)voorzieningen toegestaan. Verder is er een dierenparkje in het plangebied gelegen, waaraan eveneens de bestemming 'Groen' is toegekend, maar dan met de 'specifieke vorm van groen - dierenpark'. De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen de aanduiding 'specifieke vorm van groen - dierenpark' zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Stevensweert' (2012).

Artikel 6 Natuur

In de regels van de gronden met de bestemming 'Natuur' ligt de nadruk op het behoud, herstel en de ontwikkeling van natuurlijke waarden. Bebouwing is op deze gronden nagenoeg uitgesloten.

Artikel 7 Verkeer

Voor de bestaande wegen binnen het plangebied, is de bestemming 'Verkeer' opgenomen.

Artikel 8 Water - Riviergebonden

Omdat de Maas een functie heeft voor scheepvaartverkeer ten behoeve van onder meer transport en logistiek, is voor het gedeelte van de rivier dat binnen het plangebied ligt de bestemming 'Water - Riviergebonden' opgenomen.

Artikel 9 Wonen

Voor de bestaande woningen die binnen het onderhavige bestemmingsplan zijn gelegen, is de bestemming 'Wonen' opgenomen. De gebruiks- en bouwmogelijkheden binnen deze bestemming zijn overgenomen uit het geldende bestemmingsplan 'Stevensweert' (2012).

Dubbelbestemmingen

Naast de bovenstaande enkelbestemmingen kent het plangebied een aantal dubbelbestemmingen. Dit zijn bestemmingen die over de bestemmingsvlakken van één of meerdere enkelbestemmingen zijn gelegen, maar die een specifiek recht, waarde en/of belang regelt.

Artikel 10 Leiding - Riool

In artikel 10 'Leiding - Riool' zijn regels gegeven voor bebouwing binnen de zakelijk rechtsstrook van de rioolwaterleiding in het plangebied.

Artikel 11 Waarde - Archeologie

De archeologische waarden- en verwachtingenkaart van de gemeente heeft een doorvertaling gekregen in een juridisch-planologische regeling in dit bestemmingsplan. De regeling geeft aan in welke gevallen er een specifieke vergunning benodigd is voor bouwen en werkzaamheden binnen de op de verbeelding aangewezen gebieden.

Artikel 12 Waarde - Ecologie

Aan gedeelten van het plangebied zijn ecologische waarden toegekend waaraan bescherming geboden moet worden. Deze bescherming wordt geregeld in de regels van dit artikel.

Artikel 13 Waarde - Landschap

De gebieden met de bestemming 'Agrarisch met waarden' hebben binnen het plangebied ook een landschappelijke waarde. Om deze reden is aan deze gronden tevens de dubbelbestemming 'Waarde - Landschap' toegekend, waarvan de bijbehorende regeling in dit artikel is opgenomen.

Artikel 14 Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed, Artikel 15 Waterstaat - Waterbergend rivierbed, Artikel 16 Waterstaat - Waterkering 1 en Artikel 17 Waterstaat - Waterkering 2

Gezien de ligging van het plangebied direct aangrenzend aan de Maas, één van de grote rivieren van Nederland, is de beleidslijn Grote Rivieren op het plangebied van toepassing. De beleidslijn kent een aantal regimes die hier van toepassing zijn, namelijk het stroomvoeren regime en het bergend regime. Daarnaast regelt het beleid het één en ander ten aanzien van waterkeringen. De regelingen vanuit de beleidslijn zijn juridisch vertaald in de artikelen 14 (Waterstaat - Stroomvoerend rivierbed),15 (Waterstaat - Waterbergend rivierbed), 16 en 17 (Waterstaat - Waterkering).

Hoofdstuk 3 Algemene regels

Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen:

  • Anti-dubbeltelbepaling: met deze bepaling wordt beoogd misbruik van de regels door middel van (privaatrechtelijke) wijzigingen in de eigendomsverhoudingen van gronden te voorkomen;
  • Algemene bouwregels: dit artikel bevat de bouwregels van algemene bouwwerken die binnen het gehele plangebied kunnen worden opgericht;
  • Algemene gebruiksregels: aangegeven is wat in ieder geval onder verboden gebruik ten opzichte van de bestemmingsplanregels wordt verstaan;
  • Algemene aanduidingsregels: dit artikel geeft aan welke regels er gelden voor de in het plangebied opgenomen gebiedsaanduidingen, zoals milieuzones;
  • Algemene afwijkingsregels: het gaat hierbij om een afwijkingsmogelijkheid van de in de regels gegeven maten en percentages met betrekking tot het bouwen, het oprichten van gebouwen van openbaar nut en het in beperkte mate verschuiven van bestemmingsgrenzen;
  • Algemene wijzigingsregels: dit artikel geeft aan in welke mate het bestemmingsplan gewijzigd mag worden ten behoeve van het overschrijden van bestemmingsgrenzen;
  • Algemene procedureregels: dit artikel geeft de te volgen procedure aan indien er ontheffing wordt verleend van het bestemmingsplan zoals in de regels opgenomen;
  • Overige regels: in dit artikel is aangegeven hoe de onderlinge verhoudingen tussen enkelbestemmingen en dubbelbestemmingen zijn geregeld en welke andere wettelijke regelingen exact van toepassing voor zover deze in de regels worden genoemd.

Hoofdstuk 4 Overgangs- en slotregels

Dit hoofdstuk bevat regels die op het hele plangebied betrekking hebben en regelt de volgende onderwerpen:

  • Overgangsregeling: bouwwerken welke op het moment van tervisielegging van het plan aanwezig zijn, mogen blijven bestaan, ook al is er strijd met de bebouwingsregels. Het gebruik van de grond en opstallen, dat afwijkt van de regels op het moment waarop het plan rechtskracht verkrijgt, mag gehandhaafd blijven;
  • Titel: in deze regel wordt aangegeven onder welke naam de regels kunnen worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

7.1 Economische uitvoerbaarheid

In artikel 3.1.6 van het Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is vastgelegd dat inzicht gegeven moet worden over de uitvoerbaarheid van het plan. De ontwikkelingen die concreet mogelijk gemaakt worden binnen het bestemmingsplan moeten (economisch) uitvoerbaar zijn en gerealiseerd kunnen worden.

De kosten die gemoeid zijn met de realisatie van dijkverlegging Meerse Kamp worden gefinancierd uit bijdragen van het ministerie van Infrastructuur en Milieu, de provincie Limburg en het waterschap Roer en Overmaas.

7.1.1 Grondexploitatiewet (Grex)

In het kader van de Grondexploitatiewet (GREX) is het mogelijk dat in het kader van de vaststelling van het bestemmingsplan een exploitatieplan moet worden vastgesteld. In artikel 6.12, eerste en tweede lid, Wro is bepaald in welke situatie een exploitatieplan gemaakt moet worden. In artikel 6.2.1 Bro worden de bouwplannen aangewezen waarvoor de gemeenteraad een exploitatieplan moet vaststellen. Een exploitatieplan wordt gelijktijdig vastgesteld met het ruimtelijk plan (in dit geval een bestemmingsplan) of besluit waarop het betrekking heeft.

In dit bestemmingsplan is geen sprake van nieuwe of onbenutte bouwmogelijkheden waarvoor de noodzaak van het stellen van locatieeisen of een kostenverhaal nog aanwezig is. Aan het bestemmingsplan hoeft dan ook geen exploitatieplan te worden toegevoegd.

7.1.2 Financiering

De bijdrage van het ministerie van Infrastructuur en Milieu is voorzien vanuit het Meerjarenprogramma Infrastructuur Ruimte en Transport (MIRT). Op de begroting van het rijk is een taakstellend budget opgenomen voor de uitvoering van de Sluitstukkaden Maasdal. Het Waterschap Roer en Overmaas heeft de financiële bijdrage verzekerd in taakstellende budgetten op de (meerjaren)begroting.

7.1.3 Planschade

Een bestemmingsplan is een van de in artikel 6.1 Wro genoemde schadeveroorzakende besluiten Op basis van Hoofdstuk 7 paragraaf 3 artikel 7.14 van de waterwet is planschade geregeld. Hierin wordt geregeld dat planschade door het Waterschap wordt behandeld.

7.2 Maatschappelijke uitvoerbaarheid

7.2.1 Overleg art. 3.1.1 Bro

In het kader van het wettelijk vooroverleg ex artikel 3.1.1 van het besluit Bro is het concept ontwerp bestemmingsplan voorgelegd aan de instanties die bestuurlijke en/of zakelijke belangen hebben in het plangebied, met het verzoek hierop binnen 6 weken te reageren. Het concept ontwerp bestemmingsplan is toegezonden aan de volgende instanties:

1. Provincie Limburg

De beoordeling van het plan is voor de provincie geen aanleiding tot het maken van opmerkingen.

2. Rijkswaterstaat

Rijskwaterstaat heeft het plan beoordeeld en een aantal opmerkingen gemaakt die in dit ontwerpplan zijn verwerkt.

7.2.2 Zienswijzen op ontwerp bestemmingsplan

Het ontwerp bestemmingsplan heeft tezamen met het m.e.r.-beoordelingsbesluit ter visie gelegen van 7 januari 2016 tot en met woensdag 17 februari 2016. Tijdens deze periode is eenieder in de gelegenheid gesteld om een zienswijze op het ontwerpbestemmingsplan in te dienen. Er zijn 2 zienswijzen tegen het ontwerpbestemmingsplan ingediend. Voor de inhoud van deze zienswijzen en de beantwoording daarvan zie Bijlage 3 Nota beantwoording zienswijzen.