direct naar inhoud van Toelichting
Plan: Uitbreiding camping de Maashoeve
Status: vastgesteld
Plantype: bestemmingsplan
IMRO-idn: NL.IMRO.1641.BPL065-VG01

Toelichting

Hoofdstuk 1 Inleiding

1.1 Ruimtelijke onderbouwing als basis

Door Aelmans Ruimtelijke Ontwikkeling en Milieu is d.d. 27 februari 2012 een ruimtelijke onderbouwing opgesteld voor de locatie Moeder Magdalenastraat 15 ter behoeve van het gebruik van een gedeeltel van het perceel voor recreactie. Deze ruimtelijke onderbouwing vormt de basis voor onderhavige bestemmingsplantoelichting.

 

1.2 Algemeen

De heer en mevrouw Beunen (hierna ook: initiatiefnemers) exploiteren aan de Moeder Magdalenastraat 13a te Ohé en Laak een camping met daarnaast ook appartementen en trekkershutten.

Sinds mei 2009 zijn initiatiefnemers ook eigenaar van de woning gelegen aan de Moeder Magdalenastraat 15. Deze woning wordt door initiatiefnemers verhuurd. Achter de woning met bijbehorende tuin is een grasveld gelegen. Initiatiefnemers wensen hun verblijfsrecreatieve activiteiten uit te breiden op dit grasveld. Dit grasveld betreft een gedeelte van het perceel kadastraal bekend als gemeente Ohé en Laak, sectie A, nummer 3780.

Met onderhavig bestemmingsplan wordt dit voornemen mogelijk gemaakt.

1.3 Plangebied

In figuur 1 is een uitsnede van de topografische kaart opgenomen, waarop het plangebied is weergegeven.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0001.png"

 

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0002.png"

In figuur 2 is het plangebied ingekleurd op de kadastrale kaart. Het plangebied betreft een gedeelte van het perceel kadastraal bekend als gemeente Ohé en Laak, sectie A, nummer 3780. Het plangebied heeft een oppervlakte van 1.000 m².

1.4 Doel

Initiatiefnemers wensen het plangebied in gebruik te nemen voor recreatieve doeleinden. Het plangebied zal worden gebruikt voor maximaal 6 kampeermiddelen. Op het plangebied worden géén gebouwen opgericht of verhardingen aangebracht. Wél is op het plangebied reeds een afschermende streekeigen beplanting (groenzone) aangelegd. Deze groenzone dient enerzijds ter afscherming van het naastgelegen perceel, kadastraal bekend als gemeente Ohé en Laak, sectie A, nummer 3779, en anderzijds vormt deze beplanting één geheel met de reeds aanwezige beplanting rondom de camping.

 

Het gaat uitsluitend om het wijzigen van het gebruik van het plangebied. In het plangebied wijzigt de bestemming wonen in de bestemming recreatie en groen.

 

1.5 Geldende bestemmingsplannen

Voor onderhavig plangebied is het bestemmingsplan ‘Ohé en Laak’ het geldend bestemmingsplan. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de Raad van de gemeente Maasgouw op 6 oktober 2011.

Onderhavig planvoornemen past niet binnen de op de gronden van het plangebied geldende bestemming (wonen). Op deze gronden zijn recreatieve activiteiten niet toegestaan.

 

Op 15 februari 2011 is er daarom door initiatiefnemers een principeverzoek ingediend bij het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Maasgouw (zie bijlage 1 Principeverzoek d.d. 15 februari 2011).

 

Bij gemeente heeft op 17 mei 2011 (zie bijlage 2 Principeakkoord gemeente Maasgouw d.d. 17 mei 2011) aangegeven dat het in principe bereid is medewerking te verlenen aan onderhavig initiatief middels een afwijkingsprocedure van het bestemmingsplan op grond van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo). Als voorwaarde wordt gesteld dat middels een akoestisch onderzoek aangetoond moet worden dat het mogelijk is om van de richtafstand van 50 meter af te wijken zonder dat hiervoor hinder ontstaat bij de woningen. Het akoestisch onderzoek is op 7 september 2011 ingediend en akkoord bevonden.

De aanvraag van de omgevingsvergunning voor het afwijken van een bestemmingsplan is ingediend op 9 maart 2012, inclusief bijbehorende ruimtelijke onderbouwing. Gebleken is dat de noodzakelijke te stellen geluidseisen niet konden worden vastgelegd door middel de omgevingsvergunning. Daarom is besloten om de ruimtelijke onderbouwing, opgesteld door Aelmans, om te zetten in een bestemmingsplan. De ruimtelijke onderbouwing is geactualiseerd. Daarnaast is de akoestische situatie opnieuw beoordeeld.

 

Door het opstellen van een bestemmingsplan wordt het geldende planologische regime vervangen en wordt het planvoornemen mogelijk gemaakt.

Hoofdstuk 2 Beschrijving bestaande situatie

In dit hoofdstuk wordt de ontstaansgeschiedenis en de bestaande situatie beschreven.

 

2.1 Ontstaansgeschiedenis

Op de locatie aan de Moeder Magdalenastraat 13a was tot 1994 het gemengd agrarisch bedrijf gehuisvest. In de loop der jaren raakte het agrarische bedrijf ca. 10 ha aan pachtgrond kwijt door grindwinning en voor natuurontwikkeling.

In 1999 werden de eerste stappen gezet naar recreatie (camping). Bij deze functionele verandering kwam het hoofdaccent te liggen op de recreatieve activiteiten, de agrarische activiteiten namen gedurende de tijd steeds verder af. De camping omvatte toen 25 standplaatsen, 2 trekkershutten, 6 appartementen en een trekkersveld met 5 standplaatsen. In 2006 werd de camping verder uitgebreid tot een totale oppervlakte van circa 1,5 ha. Het resultaat hiervan staat beschreven in paragraaf 2.2.

 

Sinds mei 2009 zijn initiatiefnemers ook eigenaar van de woning gelegen aan de Moeder Magdalenastraat 15. De woning met bijbehorende tuin excl. het grasveld is verhuurd. Dit grasveld betreft in dit bestemmingsplan het plangebied.

 

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0003.png"

2.2 Bestaande situatie

Initiatiefnemers exploiteren aan de Moeder Magdalenastraat 13a een camping met appartementen en trekkershutten. In de bestaande situatie zijn aanwezig: 48 comfortplaatsen, 2 trekkershutten, 6 appartementen en een trekkersveld.

Het plangebied betreft een grasveld. Dit grasveld heeft momenteel geen functie.

 

Onderstaand is een aantal foto’s opgenomen, waarop de bestaande situatie van het plangebied zijn weergegeven.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0004.png"

 

Hoofdstuk 3 Beleidskaders/planologische situatie

In dit hoofdstuk wordt ingegaan op het Rijks-, provinciaal en gemeentelijk beleid. Het Rijksbeleid wordt besproken aan de hand van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. Voor de beschrijving van het provinciaal beleid is gebruik gemaakt van het Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014 (POL2014). Het gemeentelijk beleid is ontleend aan de de structuurvisie. Tot slot wordt ingegaan op het vigerende bestemmingsplan ‘Ohé en Laak’ van de gemeente Maasgouw.

 

3.1 Rijksbeleid

Het voorliggende plan is, voor zover mogelijk, getoetst aan de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte. In deze structuurvisie is de toekomstvisie van het kabinet met betrekking tot onder andere de ruimtelijke ordening uiteen gezet.

 

De structuurvisie beschrijft de principes voor de ruimtelijke inrichting in Nederland. Hierbij dient rekening gehouden te worden met de beoogde ambities tot en met 2040. In de structuurvisie worden de hoofdlijnen van het beleid aangegeven, waarbij de nationale ruimtelijke hoofdstructuur van Nederland een grote rol speelt.

 

In deze structuurvisie wordt benadrukt dat het van het grootste belang is dat de concurrentiepositie van Nederland verbetert. Hiertoe is het van belang dat ruimtelijke ontwikkelingen mogelijk zijn. Het Rijk heeft drie hoofddoelen geformuleerd, te weten:

 

  • 1. het vergroten van de concurrentiekracht van Nederland;
  • 2. het verbeteren, instandhouden en ruimtelijk zekerstellen van de bereikbaarheid;
  • 3. het waarborgen van een leefbare en veilige omgeving waarin unieke natuurlijke en cultuurhistorische waarden behouden zijn.

 

Om de regeldruk te verlagen, heeft het kabinet besloten dat de ruimtelijke afwegingen zo dicht mogelijk bij de burger plaats moet vinden. Daarom zal er op basis van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte naar gestreefd worden om zoveel mogelijk verantwoordelijkheden bij de gemeenten en provincies onder te brengen. Het Rijk zal zeer terughoudend, en met name achteraf, bij het toezicht betrokken zijn.

 

Er zijn echter wel enkele ontwikkelingen waarbij het Rijk bij voorbaat al aangeeft dat er een rijksverantwoordelijkheid aan de orde kan zijn. Een rijksverantwoordelijkheid kan aan de orde zijn indien een onderwerp nationale baten/lasten heeft en de doorzettingsmacht van provincies en gemeenten overstijgt. Voorbeelden hiervan zijn ruimte voor militaire activiteiten en opgaven in de stedelijke regio’s rondom de mainports, brainport en greenports. Maar ook onderwerpen waarover internationale verplichtingen of afspraken zijn aangegaan. Bijvoorbeeld voor biodiversiteit, duurzame energie of werelderfgoed. Daarnaast kunnen ook onderwerpen die provincie- of landgrensoverschrijdend of een hoog afwentelingsrisico kennen een rijksverantwoordelijkheid zijn.

Ontwikkelingen die niet onder het bovenstaande vallen zullen in principe alleen achteraf gecontroleerd worden door het Rijk. Rijkswaterstaat en de ministeries van Defensie en Economische Zaken zullen als direct belanghebbenden wel de plannen vooraf blijven beoordelen.

 

De structuurvisie streeft een zorgvuldige en transparante besluitvorming bij alle ruimtelijke plannen na. Hiertoe is in de structuurvisie een ladder voor duurzame verstedelijking ontwikkeld:

  • 1. Beoordeling door betrokken overheden of de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag voor bedrijventerreinen, kantoren, woningbouwlocaties en andere stedelijke voorzieningen. Naast de kwantitatieve beoordeling (aantal hectares of aantallen woningen) gaat het ook om kwalitatieve vraag (bijvoorbeeld een bedrijventerrein waar zware milieuhinder mogelijk is of een specifiek woonmilieu) op regionale schaal;
  • 2. Indien de beoogde ontwikkeling voorziet in een regionale, intergemeentelijke vraag, beoordelen betrokken overheden of deze binnen bestaand bebouwd gebied kan worden gerealiseerd door locaties voor herstructurering of transformatie te benutten;
  • 3. Indien herstructurering of transformatie van bestaand bebouwd gebied onvoldoende mogelijkheden biedt om aan de regionale, intergemeentelijke vraag te voldoen, beoordelen betrokken overheden of deze vraag op locaties kan worden ontwikkeld die passend multimodaal ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

 

De invulling van deze ladder wordt overgelaten aan de gemeenten en provincies. Zolang de ontwikkeling de rijksbeleid doeleinden niet frustreert, is er een grote mate van vrijheid voor de decentrale overheden.

 

Het Rijk streeft met het opstellen van de structuurvisie een goed werkende woningmarkt in Nederland na. Dit wil zeggen dat er qua omvang, kwaliteit en differentiatie een goede balans dient te zijn. Bovendien dient er ruimte te zijn voor het instandhouden van de bereikbaarheid van Nederland en dient er rekening gehouden te worden met het behoud van de natuur.

 

Meer specifiek heeft het Rijk in de provincie Limburg enkele belangrijke gebieden aangewezen. Het Rijk kent de Greenport Venlo en Brainport Zuidoost Nederland een belangrijke waarde toe voor de concurrentiepositie van Nederland. Het verstedelijkte gebied rondom Sittard-Geleen en Maastricht is zodoende dan ook aangewezen als een voor de concurrentiepositie essentieel gebied. Met name de bereikbaarheid van deze gebieden verdient derhalve extra aandacht.

 

Op grond van de Structuurvisie Infrastructuur en Ruimte valt onderhavig planvoornemen onder de verantwoordelijkheid van de gemeente Maasgouw en de provincie Limburg.

3.1.1 Besluit algemene regels ruimtelijke ordening

Die belangen uit de SVIR die concreet geformuleerde beperkingen inhouden en vragen om doorwerking in de ruimtelijke besluitvormingsmogelijkheden op lokaal niveau zijn vertaald naar concrete algemene regels in het Besluit algemene regels ruimtelijke ordening (hierna: Barro). Dit planvoornemen raakt geen nationale belangen waarvoor in het Barro concrete regels zijn geformuleerd. De bepalingen in het Barro vormen dan ook geen belemmering voor dit planvoornemen.

3.1.2 Ladder voor duurzame verstedelijking

Door artikel 3.1.6, lid 2 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) dient een toelichting op een bestemmingsplan dat voorziet in een nieuwe stedelijke ontwikkeling een beschrijving te bevatten, waaruit blijkt dat:

  • 1. de voorgenomen stedelijke ontwikkeling voorziet in een actuele regionale behoefte;
  • 2. zo ja, in hoeverre in die behoefte binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan worden voorzien door benutting van beschikbare gronden door herstructurering, transformatie of anderszins, en;
  • 3. indien uit de beschrijving, bedoeld in onderdeel b, blijkt dat de stedelijke ontwikkeling niet binnen het bestaand stedelijk gebied van de betreffende regio kan plaatsvinden, wordt beschreven in hoeverre wordt voorzien in die behoefte op locaties die, gebruikmakend van verschillende middelen van vervoer, passend ontsloten zijn of als zodanig worden ontwikkeld.

Alvorens te toetsen aan de drie tredes van de ladder, dient te worden vastgesteld of sprake is van een stedelijke ontwikkeling. Dit begrip is in artikel 1.1.1 Bro gedefinieerd als 'ruimtelijke ontwikkeling van een bedrijventerrein of zeehaventerrein, of van kantoren, detailhandel, woningbouwlocaties of andere stedelijke voorzieningen. Uit de tot dusver gevormde jurisprudentie ten aanzien van dit begrip blijkt dat de omvang van de ontwikkeling een rol speelt. Is sprake van een kleinschalige ontwikkeling, dan kan weliswaar sprake zijn van een stedelijke ontwikkeling, maar kan dergelijke ontwikkeling als te kleinschalig worden aangemerkt om te worden aangemerkt als stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 1.1.1 Bro. Jurisprudentie heeft zich vooralsnog hoofdzakelijk gevormd ten aanzien van woningbouw- en retailontwikkelingen, niet ten aanzien van recreatieve voorzieningen. De uitbreiding van een kampeerterrein is geen stedelijke ontwikkeling. Daarnaast betreft het een kleinschalige ontwikkeling. Een toets aan de Ladder voor duurzame verstedelijking is niet noodzakelijk.

3.2 Provinciaal beleid

3.2.1 Provinciaal Omgevingsplan Limburg 2014

Op 12 december 2014 is door Provinciale Staten van Limburg het Provinciaal Omgevings-plan 2014 (POL2014) vastgesteld. Het POL2014 is per 16 januari 2015 in werking getreden en heeft de functie structuurvisie, provinciaal milieubeleidsplan, regionaal waterplan en provinciaal verkeer- en vervoersplan.

In het POL 2014 komen alleen die zaken aan bod, die er op provinciaal niveau echt toe doen en die vragen om regionale oplossingen. In het POL staan de fysieke kanten van het leef- en vestigingsklimaat centraal. Belangrijke uitdagingen zijn het faciliteren van innovatie, het aantrekkelijk houden van de regio voor jongeren en arbeidskrachten, het versnellen van de energietransitie, de fundamenteel veranderde opgaven op het gebied van wonen en voorzieningen, de leefbaarheid van kernen en buurten en het inspelen op de klimaatverandering. Over deze uitdagingen wordt de dialoog aangegaan met de regio's. Kwaliteit en uitnodigen staat daarbij centraal.

De sleutel ligt in dynamisch voorraadbeheer. Er zullen per regio visies gemaakt worden waarin gezamenlijke ambities, principes en werkwijze zijn uitgewerkt resulterend in concrete uitvoeringsafspraken. Voor sommige thema's gaat het ook om gezamenlijke programmering. Die vormen de basis voor bestuursovereenkomsten tussen regiogemeenten en Provincie. De Provincie borgt de uitvoering van die afspraken met voorzorgbepalingen in de Omgevingsverordening.

De grote variatie in omgevingskwaliteiten is een kenmerk en sterk punt van Limburg. Om daaraan recht te doen, onderscheiden we in dit POL zeven globaal afgebakende gebiedstypen. Dit zijn zones met elk een eigen karakter, herkenbare eigen kernkwaliteiten, en met heel verschillende opgaven en ontwikkelingsmogelijkheden. Onderhavig plangebied is gelegen binnen het gebiedstype 'Landelijk gebied' (buitengebied). Deze zone omvat een breed scala aan gebieden variërend van landbouwgebieden in algemene zin, glastuinbouwgebieden, ontwikkelingsgebieden intensieve veehouderij, verblijfsrecreatieve terreinen, stadsrandzones tot linten en cluster van bebouwing. Het buitengebied biedt de meeste ruimte voor land- en tuinbouw en vrijetijdseconomie.

Ohé en Laak is gelegen in Midden-Limburg. Volgens het POL zijn toerisme en recreatie één van de belangrijkste economische aanjagers van de regio Midden-Limburg. Daarbij wordt als kracht ingezet op de veelzijdigheid van het aanbod op korte afstand (natuur, water, cultuur, kooptoerisme en grensoverschrijdend).

In het POL2014 wordt op het gebied van recreatieve verblijfsaccommodaties en –voorzieningen gevraagd om een kwalitatieve en kwantitatieve onderbouwing van de regionale behoefte en het regionaal afstemmen van recreatieve ontwikkelingen. De huidige fase tussen de vaststelling van het POL2014 en de bestuursafspraken vraagt dat de provincie deze ontwikkelingen spiegelt en om een motivering vraagt, afgezet tegen de opgave in de regio. Dit om verdringing en leegstand ten aanzien van de bestaande verblijfsaccommodaties te voorkomen.

De regio heeft hieraan invulling willen geven door de volgende concept-bestuursafspraak te hanteren:

Tot op het moment dat een regionaal afwegingskader beschikbaar is nemen gemeenten en provincie ieder hun eigen verantwoordelijkheid binnen het kader van de Wet op de ruimtelijke ordening, waarbij een zwaarwegende en zorgvuldige toets plaatsvindt van de economische uitvoerbaarheid (op basis van een marktanalyse) van nieuwe initiatieven op het gebied van de verblijfsrecreatie.

Ten behoeve van deze regionale afstemming heeft de regio afgesproken dat bij elk initiatief duidelijkheid gegeven moet worden over de behoefte, onderscheidenheid en de kwaliteit van het initiatief. Op basis van deze parameters zal regionaal beoordeeld worden of het initiatief voldoet aan het POL2014. Deze regionale beoordeling wordt uitgevoerd door alle betrokken midden-Limburgse gemeenten en de provincie.

Op 15 december 2015 is er een onderbouwing opgesteld, waarbij aangetoond wordt dat het initiatief voldoet aan de gestelde parameters. Deze onderbouwing is als bijlage 3 Regionale afstemming nieuwe ontwikkeling bijgevoegd. Op 29 januari 2016 is de onderbouwing door de regio beoordeeld en als positief beschouwd. Hiermee voldoet het initiatief aan de gevraagde regionale afstemming uit het POL2014. Het verslag van het bestuurlijk overleg van 29 januari 2016, waarin is aangegeven dat het initiatief voldoet aan de gesteld eisen, is als bijlage 4 Notulen bestuurlijk overleg RT SML d.d. 29 januari 2016opgenomen.

Onderhavig plan voorziet in toeristische voorzieningen en past derhalve binnen de aanwezige kwaliteiten, ambitie, behoefte en ontwikkelingsmogelijkheden.

3.2.2 Omgevingsverordening Limburg 2014

Gelijktijdig met de vaststelling van het POL2014 is ook de Omgevingsverordening Limburg 2014 vastgesteld. In deze verordening geeft de provincie Limburg bindende kaders voor ruimtelijke planvorming door gemeentes. Voor onderhavig plan is van belang dat in het hoofdstuk Ruimte de ladder voor duurzame verstedelijking is geborgd. Op de toepassing van deze verordening is hiervoor ingegaan in paragraaf 2.2.3 op basis van de regeling daarvan in het Besluit ruimtelijke ordening. In die paragraaf is reeds geconstateerd dat de Ladder voor duurzame verstedelijking niet van toepassing is. De provincie Limburg ziet in aanvulling daarop graag dat ook herbenutting van monumentale en beeldbepalende panden in deze afweging worden betrokken. Ten aanzien daarvan kan worden opgemerkt dat de uitbreiding van het kampeerterrein geen nieuwe bebouwing behelst.

Voor het overige voorziet de verordening niet in instructieregels die van invloed zijn op onderhavig planvoornemen. De overige regels in de verordening, met name op het gebied van milieu zijn rechtstreeks werkend en vragen niet om een regeling in onderhavig plan.

3.2.3 Conclusie provinciaal beleid

Gelet op vorenstaande uiteenzetting van het provinciale beleid wordt geconcludeerd dat het

provinciale beleid geen belemmering vormt voor onderhavig planvoornemen.

 

3.3 Gemeentelijk beleid

3.3.1 Structuurvisie

De Structuurvisie Maasgouw 2030 is de kaderstellende toekomstvisie van de gemeente Maasgouw, met een doorkijk naar 2030. In deze Structuurvisie is het beleid en zijn de ambities van de gemeente Maasgouw verwoord. Het thema toerisme en recreatie is in deze structuurvisie uiteengezet in hoofdstuk zeven.

 

De visie van de gemeente Maasgouw is dat een versterking van specifieke dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen nodig is, die afgestemd worden op de landschappelijke onderlegger. Het landschap vormt immers het economisch basiskapitaal van de toeristisch recreatieve sector.

 

De gemeente Maasgouw wil de toerist het hele jaar aantrekken. Dit betekent dat er voldoende, kwalitatief hoogwaardige, dag- en overnachtingsmogelijkheden aangeboden moeten worden. Kwaliteitsverhoging kan alleen worden verkregen door het aanbod te concentreren en een project ook daadwerkelijk tot volle ontwikkeling te brengen.

 

De structuurvisie onderscheidt vier toeristisch-recreatieve ontwikkelingszones, te weten:

  • 1. het gebied Groeskamp/Meersveld/Prins Mauritshaven tussen Thorn en Wessem;
  • 2. de zone van Daelzicht/Boschmolenplas tot en met Heelderpeel ten westen en noorden van Heel;
  • 3. de omgeving van Porta Isola ten noorden van Stevensweert;
  • 4. Maasterp nabij de kern Laak.

 

In onderstaande figuur zijn de vier ontwikkelingszones weergegeven.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0005.png"

Figuur 6: de vier ontwikkelingszones uit de Structuurvisie Maasgouw 2030

In elk van deze gebieden (ontwikkelingszones) wordt voor in ieder geval één specifieke doelgroep een zo breed mogelijk pakket aan dag- en verblijfsrecreatieve voorzieningen ontwikkeld.

 

Onderhavig planvoornemen is gelegen in de kern Ohé en Laak. De kernen Ohé en Laak vormen karakteristieke bebouwingslinten in het landelijk gebied. Aansluitend op de kern Laak ligt het verblijfsrecreatiecomplex Maasterp, bestaande uit een stacaravanpark en een aantrekkelijk dagstrand. Dit complex zal worden gemoderniseerd met het (goedgekeurde) voornemen tot de bouw van drijvende waterwoningen in het buitendijks gebied.

In aansluiting op deze ontwikkeling moet ook het bestaande binnendijks gelegen gebied worden geherstructureerd. Hierbij moet niet alleen aan de bouw van recreatiewoningen worden gedacht, maar ook aan opwaardering van het kampeerterrein. Optimaliseren van toeristisch kamperen is noodzakelijk en kansrijk. Kamperen voor toenemende senioren is een belangrijk marktgebied.

 

Onderhavig planvoornemen richt zich op de doelgroep volwassenen zonder kinderen, medioren en senioren, die op zoek zijn naar rust en ruimte. Tevens wordt met onderhavig planvoornemen het toeristisch kamperen geoptimaliseerd.

 

Onderstaande figuur is een uitsnede van de plankaart welke behoort tot de Structuurvisie Maasgouw 2030.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0006.png"

Figuur 7: uitsnede plankaart Structuurvisie Maasgouw 2030.

 

De hoofdlijnen van het beleid zijn nader uitgewerkt en gedetailleerde omschreven in gebiedsvisies. Het plangebied is gelegen binnen het deelgebied 'Eiland in de Maas'. Voor het thema 'toerisme en recreatie' is de sfeerbeleving van het eiland gericht op het 'onthaasten': het creeren van rust en ruimtegevoel. Het plangebied is gelegen binnen het recreatief knooppunt De Maasterp/Maashoeve waarvoor modernisering en revitalisering noodzakelijk is. Verder moet er terughoudend omgegaan worden met de ontwikkeling van nieuwe, ruimtevragende voorzieningen. Deze leiden immers tot versnippering van het landschap en tasten het ruimtegevoel aan. Camping Maashoeve wordt specifiek als concreet plan benoemd. Voor dit complex geldt dat extra aandacht moet worden besteed aan inpassing in het landschap, alsmede aan het creëren van een recreatieve uitloop in dat landschap. Hierbij dient een afstemming te worden gezocht op de maatregelen rond de Maasterp met als doel een zo eenduidig mogelijk landschapsbeeld te creëren. De uitbreiding van de camping wordt landschappelijk ingepast.

Onderhavig planvoornemen past binnen het beleid en de ambities van de gemeente Maasgouw welke verwoord zijn in de Structuurvisie Maasgouw 2030.

3.4 Bestemmingsplan

Ter plekke van het plangebied geldt momenteel het bestemmingsplan ‘Ohé en Laak’. Dit bestemmingsplan is vastgesteld door de Raad van de gemeente Maasgouw op 6 oktober 2011. Het plangebied heeft de bestemming ‘Wonen (W)’ . Daarnaast is het plangebied aangewezen met de dubbelbestemming ‘Waarde-Archeologie’. De voor ‘Waarde-Archeologie’ aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor de bescherming van archeologische waarden.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0007.png"

Figuur 8: uitsnede plankaart bestemmingsplan ‘Ohé en Laak’ met aanduiding plangebied

 

De beperkte uitbreiding van de bestaande camping (bestemming: recreatieve doeleinden) met het plangebied (bestemming: wonen) is niet toegestaan. Op de met ‘wonen’ bestemde gronden zijn verblijfsrecreatieve activiteiten niet toegestaan. Middels het doorlopen van een procedure, waarbij een herziening van het bestemmingsplan wordt vastgesteld, kan uitvoering worden gegeven aan het initiatief.

 

Gelet op vorenstaande en de conclusie dat het aspect geluid geen belemmering vormt bij de woningen (er is middels een akoestisch onderzoek aangetoond dat van de richtafstand van 50 meter kan worden afgeweken) wordt voldaan aan de voorwaarden zoals gesteld door het college van burgemeester en wethouders bij brief van 17 mei 2011 (zie ook paragraaf 5.3).

 

Hoofdstuk 4 Planbeschrijving

4.1 Doelstellingen & uitgangspunten

Initiatiefnemers exploiteren aan de Moeder Magdalenastraat 13a een camping. Sinds mei 2009 zijn initiatiefnemers ook eigenaar van de woning gelegen aan de Moeder Magdalenastraat 15. De woning met bijbehorende tuin, exclusief het grasveld (plangebied), hebben initiatiefnemers verhuurd. Het plangebied heeft momenteel geen functie. Het plangebied heeft een totale oppervlakte van 1.000 m2.

 

Initiatiefnemers wensen hun huidige camping uit te breiden met het gehele grasveld (plangebied) dat gelegen is achter de tuin van de woning aan de Moeder Magdalenastraat15.

Dit betreft een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend als gemeente Ohé en Laak, sectie A, nummer 3780. De totale uitbreiding, minus de groenstrook (zie de figuur in paragraaf 5.11.1), betreft 694 m².

 

Een gedeelte van het plangebied gaat in gebruik genomen worden als kampeerveld. Om deze activiteit te kunnen realiseren hoeven geen gebouwen te worden gesloopt. Ook worden op het plangebied geen nieuwe gebouwen opgericht en tenslotte worden er ook geen verhardingen aangelegd.

 

Het betreffende perceel (gedeelte van het plangebied) wordt in de periode vanaf 1 april tot en met 15 oktober in gebruik genomen door maximaal zes kampeermiddelen. De kampeermiddelen worden opgesteld op de cijfers 1 t/m 6, daarnaast wordt een gedeelte van het plangebied ingepast met groen. In bijlage 8 Invulling plangebied is op schaal de invulling van het gehele plangebied te vinden.

 

In onderstaande figuur is een plattegrond van de bestaande camping opgenomen. Tevens is

op deze plattegrond het plangebied toegevoegd.

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0008.png"

Figuur 9: plattegrond bestaande camping met tevens weergegeven het plangebied

 

4.2 Uitgelicht (ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten)

 

Gezien de ligging van het plangebied in een omgeving met veel toeristische voorzieningen, de reeds aanwezige camping van initiatiefnemers aan de Moeder Magdalenastraat nummer 13a en mede gezien de beperkte activiteiten die gaan plaatsvinden in het plangebied, is het

ruimtelijke effect van onderhavig project zeer beperkt te noemen.

 

In ruimtelijk opzicht treedt er weinig verandering op aangezien er niet gebouwd, gesloopt of verhard wordt. Er zijn wel ruimtelijke effecten, deze worden echter gecompenseerd door de landschappelijke inpassing.

 

Gelet op vorenstaande vormt het aspect ruimtelijke en stedenbouwkundige effecten geen belemmering voor de beoogde planontwikkeling.

Hoofdstuk 5 Randvoorwaarden / resultaten onderzoeken

Bij de realisering van een planontwikkeling moet in de eerste plaats rekening worden gehouden met aspecten uit de omgeving die een negatieve invloed kunnen hebben op het plangebied. Dit geldt omgekeerd ook voor de uitwerking die het project heeft op zijn omgeving. Voor de locatie zijn in dit hoofdstuk de milieuaspecten bodem, geluid, milieuzonering en luchtkwaliteit onderzocht. Daarnaast wordt ingegaan op de aspecten externe veiligheid, archeologie, kabels en leidingen, verkeer en parkeren, waterhuishouding, natuur en landschap, flora en fauna en duurzaamheid.

5.1 Milieueffectrapportage

5.1.1 Algemeen

Een milieueffectrapportage (m.e.r.) is verplicht voor besluiten van de overheid over initiatieven van particulieren of marktpartijen, zoals bij de bouw van ‘woonwijken’ de aanleg van auto(snel)wegen, spoorwegen, vliegvelden, pijpleidingen voor gas of olie en (stuw)dammen.

 

Een m.e.r. kan ook verplicht zijn voor plannen van de overheid, zoals een bestemmingsplan. Ingevolge het Besluit milieueffectrapportage (verder: Besluit m.e.r.) wordt getoetst of het bestemmingsplan voorziet in, of een kader vormt voor, activiteiten die (mogelijk) belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu. Hiervoor zijn in de bijlage bij het Besluit m.e.r. lijsten opgenomen waarin activiteiten zijn aangewezen die belangrijke nadelige gevolgen kunnen hebben voor het milieu (lijst C) of ten aanzien waarvan het bevoegd gezag moet beoordelen of zij belangrijke nadelige gevolgen voor het milieu kunnen hebben (lijst D). In de lijsten zijn (indicatieve) drempelwaarden opgenomen.

5.1.2 Conclusie

De uitbreiding van de camping valt niet binnen de (indicatieve) drempellijsten van het Besluit m.e.r. Ook indien de ontwikkeling onder de drempelwaarden van onderdeel D blijft, is een beoordeling noodzakelijk. Dit wordt de vormvrije m.e.r.-beoordeling genoemd.

De bestaande camping aan de Moeder Magdalenestraat 13a wordt uitgebreid met 6 kampeerplaatsen. In dit hoofdstuk zijn de verschillende milieueffecten beschouwd, zoals geluid en luchtkwaliteit. Hieruit blijkt dat er door onderhavig bestemmingsplan geen sprake zal zijn van nadelige milieugevolgen.

5.2 Bodem

Indien sprake is van een planologische functiewijziging, dient te worden bezien of de milieuhygiënische kwaliteit van de bodem ter plaatse geschikt is voor het voorgenomen gebruik. Het hiervoor noodzakelijke verkennend bodemonderzoek is verricht door Milieutechnisch Adviesbureau Heel BV d.d. 12 december 2011. Dit rapport met kenmerk 514CDM/11/R1 is bijgevoegd als bijlage 5 Verkennend bodemonderzoek d.d. 12 december 2011.

 

Asbest

In de opgeboorde grond zijn plaatselijk bijmengingen aan sporen puin waargenomen. In de opgeboorde grond zijn géén asbestverdachte materialen waargenomen. Omdat uit het vooronderzoek blijkt dat de locatie nooit bebouwd is geweest en/of opgehoogd is, zijn de puinspoortjes mogelijk ter plaatse terecht gekomen door bemesting en/of grondverbetering. De locatie kan daarom als onverdacht worden beschouwd voor wat betreft het voorkomen van asbest in de bodem.

 

Toetsing WBB

In de bovengrond zijn licht verhoogde gehalten aan zware metalen aangetoond. In de ondergrond overschrijdt geen van de onderzochte parameters de achtergrondwaarde. Uit vooronderzoek blijkt dat het grondwater zich dieper dan 5 m-mv bevindt en derhalve is geen grondwateronderzoek verricht.

 

Toetsing BBK (eindoordeel)

De bovengrond voldoet aan de bodemfunctieklasse wonen. De ondergrond voldoet aan de achtergrondwaarde (AW2000).

 

Gelet op vorenstaande vormt het aspect bodem geen belemmering voor onderhavige planontwikkeling.

 

5.3 Geluid

Met betrekking tot het aspect geluid kan sprake zijn van geluidbelasting als gevolg van wegverkeerslawaai, industrielawaai en spoorweglawaai.

 

Op grond van de richtafstanden in de Handreiking “Bedrijven en milieuzonering” dient een kampeerterrein (SBI-1993-code 552) gelegen te zijn op meer dan 50 meter van een woning. De planlocatie is gelegen op minder dan 50 meter van een woning.

 

Voor het nieuwe perceel van Camping Maashoeve is in het verleden reeds een akoestisch onderzoek opgesteld in het kader van de aanvraag omgevingsvergunning voor het afwijken van het bestemmingsplan. Door de Rechtbank is uitspraak gedaan en heeft aangegeven dat de gemeente Maasgouw onvoldoende heeft onderzocht wat de mogelijke akoestische effecten naar de omgeving kunnen zijn, als het perceel maximaal wordt gebruikt. Daarom is door "Het Geluidburo" opnieuw een akoestisch onderzoek uitgevoerd (Camping Maashoeve Uitbreiding aantal plaatsen/ bestemmingsplan, Moeder Magdalenastraat 13a Ohé en Laak d.d. 17 december 2014). Dit onderzoek is als bijlage 6 Akoestisch onderzoek d.d. 17 december 2014 toegevoegd.

Er is onderzocht wat het geluidniveau is ter plaatse van de dichtstbij gelegen woningen aan de Moeder Magdalenastraat 16 en 16a.

 

Geconcludeerd kan worden dat de akoestische invloed van het perceel beperkt is. Er wordt voldaan aan de richtwaarden die in het kader van een goede ruimtelijke ordening op grond van de VNG uitgave ‘bedrijven en milieuzonering’ worden gehanteerd (45 dB(A)).

 

Niet wordt voldaan aan de 5 dB scherpere richtwaarde die de rechtbank heeft gesteld (40 dB(A)). De meest dominante geluidbron is een eventueel blaffende hond van een campinggast.

 

Door een scherm van 3,5 meter hoogte te plaatsen op de perceelgrens met de buren, wordt (ruimschoots) voldaan aan de door de rechtbank gestelde richtwaarden. Ook de geluidbijdrage van andere geluidbronnen (stemgeluid, radio) wordt hierdoor minder.

 

Als geen scherm wordt gerealiseerd maar honden niet worden toegelaten op het perceel, wordt eveneens voldaan aan de richtwaarden van de rechtbank. Indien deze maatregel wordt doorgevoerd, wordt voorgesteld een verzoek voor een maatwerkvoorschrift ingevolge het Activiteitenbesluit te doen bij de gemeente. In het maatwerkvoorschrift wordt opgenomen dat geen honden op het perceel aanwezig mogen zijn. Hiermee is één en ander juridisch geborgd.

 

Indien één van beide maatregelen wordt doorgevoerd, kan worden gesteld dat er vanuit oogpunt van geluid geen enkele belemmering is ten aanzien van het gebruik van het perceel van de camping voor kleinschalige recreatie. Er wordt voldaan aan de richtwaarden die gelden voor een landelijke omgeving. Als zodanig is er sprake van een goede ruimtelijke ordening.

In de regels van dit bestemmingsplan is geregeld dat honden op dit deel van het kampeerterrein niet zijn toegestaan en dat op het deel van het terrein, gelegen binnen een afstand van 30 meter tot de aangrenzende woning kamperen niet is toegestaan indien de geluidsnormen uit de toepassing zijnde milieuregels (BARIM) worden overschreden.

5.4 Milieuzonering

Milieuzonering zorgt ervoor dat nieuwe bedrijven een passende locatie in de nabijheid van woningen krijgen en dat (andersom) nieuwe woningen op een verantwoorde afstand van bedrijven gesitueerd worden. Het waar mogelijk scheiden van bedrijven en woningen bij nieuwe ontwikkelingen dient twee doelen:

  • het reeds in het ruimtelijke spoor voorkomen of zoveel mogelijk beperken van hinder en gevaar voor woningen;
  • het tegelijk daarmee aan de bedrijven voldoende zekerheid bieden dat zij hun activiteiten duurzaam binnen aanvaardbare voorwaarden kunnen uitoefenen.

 

De gemeente beslist zelf of zij op een bepaalde locatie bedrijven of woningen wil mogelijk maken. Dit besluit dient echter wel zorgvuldig te worden afgewogen en te worden verantwoord.

 

Vanwege het niet aanwezig zijn van (agrarische) bedrijvigheid in de directe omgeving van het plangebied, vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling. Andersom is er geen sprake van een belemmering van bestaande bedrijvigheid als gevolg van de planontwikkeling.

 

Gelet op vorenstaande vormt het aspect milieuzonering geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.5 Luchtkwaliteit

Sinds 15 november 2007 zijn de belangrijkste bepalingen inzake de luchtkwaliteit opgenomen in hoofdstuk 5, titel 5.2 van de Wet milieubeheer (hierna ook: Wmb). Omdat de luchtkwaliteitseisen op zijn genomen in titel 5.2 van de Wmb, staat deze ook wel bekend als de ‘Wet luchtkwaliteit’. Met de inwerkingtreding van de Wet luchtkwaliteit is het besluit luchtkwaliteit 2005 komen te vervallen.

 

Het doel van titel 5.2 Wm is om mensen te beschermen tegen de negatieve gevolgen van luchtverontreiniging op hun gezondheid. In de wet- en regelgeving zijn de richtlijnen uit de Europese regelgeving opgenomen, waaraan voorgenomen ontwikkelingen dienen te voldoen.

 

Als aan minimaal één van de volgende voorwaarden wordt voldaan, vormen de luchtkwaliteitseisen in beginsel geen belemmering voor het uitoefenen van de bevoegdheid van een bestuursorgaan ex. artikel 5.16 Wm:

 

  • er is geen sprake van een feitelijke of dreigende overschrijding van de grenswaarde;
  • een project leidt al dan niet per saldo, niet tot een verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project draagt ‘niet in betekenende mate’ (NIBM) bij aan de verslechtering van de luchtkwaliteit;
  • een project past binnen het NSL (Nationaal Samenwerkingsprogramma Luchtkwaliteit) of
  • een regionaal programma van maatregelen.

 

Het besluit NIBM

Deze Algemene maatregel van Bestuur (AmvB) legt vast wanneer een project ‘niet in betekenende mate’ bijdraagt aan de toename van concentraties van bepaalde stoffen in de lucht. Een project is NIBM wanneer het aannemelijk is dat het een toename van de concentratie veroorzaakt van maximaal 3%. De 3% grens wordt gedefinieerd als 3% van de grenswaarde voor de jaargemiddelde concentratie van fijn stof (PM10) of stikstofdioxide (NO2). Dit komt overeen met 1,2 microgram/m3 voor zowel PM10 als NO2. Het besluit NIMB is vanaf augustus 2009 van kracht, zodat de 3% grens aangehouden dient te worden.

 

In de regeling NIBM is (onder andere) aangegeven dat een plan tot 500 woningen niet in betekenende mate bijdraagt aan de toename van de concentratie fijn stof en stikstofdioxide in de lucht.

 

InfoMil heeft een NIBM-tool ontwikkeld waarmee een ‘worst-case’ berekening kan worden verricht voor de bijdrage van het extra verkeer als gevolg van een plan op de luchtkwaliteit. Dit rekenmodel toont aan dat tot 1.135 extra voertuigen (weekdaggemiddelde) niet in betekenende mate bijdragen aan de verslechtering van de luchtkwaliteit. Hierbij wordt uitgegaan van 0% vrachtverkeer.

 

Onderhavig plan betreft het in gebruik nemen van een gedeelte van het plangebied als kampeerveld. Het nieuwe kampeerveld wordt per dag in gebruik genomen door maximaal 6 kampeermiddelen. De meeste kampeerders zullen de camping met de fiets bezoeken, in dat geval bezoeken per dag geen extra personenauto’s de inrichting. Wordt het nieuwe kampeerveld gebruikt voor caravans, dan zullen maximaal 3 kampeermiddelen het veld in gebruik nemen. Het gemiddeld verblijf van een caravan is 1 of 2 weken, waardoor het aantal extra bewegingen met personenauto’s op het kampeerveld neerkomt op ca. 6 bewegingen per 1 of 2 weken. Dit zijn 3 extra voertuigen per 1 of 2 weken. Gelet op onderstaande NIBM-tool is onderhavig planvoornemen dus NIBM.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0009.png"

Figuur 10: NIBM-tool van InfoMil

 

Gelet op vorenstaande en het feit dat er geen woningen worden opgericht, vormt het aspect luchtkwaliteit geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.6 Externe veiligheid

Kampeerterreinen zijn aan te merken als een kwetsbaar object. Het beleid inzake externe veiligheid is derhalve van toepassing én er is een afweging gemaakt of de planontwikkeling ertoe leidt dat er een onaanvaardbaar risico ontstaat in het kader van de externe veiligheid.

 

Beleid

Het beleid in het kader van de externe veiligheid is gericht op het beperken en beheersen van risico’s voor de omgeving voor wat betreft handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze handelingen kunnen zowel betrekking hebben op het gebruik, de opslag, de productie als ook op het vervoer van gevaarlijke stoffen.

Uit het Besluit externe veiligheid inrichtingen (Bevi) en de 'Wet Basisnet' (op 1 april 2015 in werking is getreden) voor het vervoer van gevaarlijke stoffen, vloeit de verplichting voort om in het kader van ruimtelijke plannen in te gaan op de risico’s in het plangebied als gevolg van handelingen met gevaarlijke stoffen. Deze risico’s worden beoordeeld op twee soorten risico’s: het groepsrisico en het plaatsgebonden risico.

 

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0010.png"

Figuur 11: uitsnede Risicokaart met aanduiding plangebied

 

Groepsrisico

Het groepsrisico beschrijft de kans dat een groep van 10 of meer personen tegelijkertijd komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Dit risico geeft een indicatie van de maatschappelijke ontwrichting in geval van een ramp. Het groepsrisico wordt uitgedrukt in een grafiek. In het Bevi is een verantwoordingsplicht binnen het invloedsgebied opgelegd, i.c. het gebied binnen de zogenaamde 1%-letaliteitsgrens, zijnde de afstand vanaf een risicobedrijf waarop nog slechts 1% van de blootgestelde mensen in de omgeving overlijdt bij een ongeval op het risicobedrijf.

 

Voor elke verandering van het groepsrisico, dit kan een af- of toename zijn, in het invloedsgebied moet verantwoording worden afgelegd. Deze verantwoording ziet toe op de wijze waarop de toelaatbaarheid van de verandering van het groepsrisico in de besluitvorming is betrokken. Samen met de hoogte van het groepsrisico, worden ook andere aspecten meegewogen in de beoordeling van het groepsrisico. Hieronder vallen onder meer de zelfredzaamheid en de bestrijdbaarheid van een calamiteit.

 

Uit figuur 11 blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen een straal van 1.000 meter ten opzichte van inrichtingen waarop het Bevi van toepassing is. Kortom, het groepsrisico vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

Plaatsgebonden risico

Het plaatsgebonden risico beschrijft de kans dat een onbeschermd individu in een jaar komt te overlijden als gevolg van een ongeval met gevaarlijke stoffen. Het plaatsgebonden risico wordt uitgedrukt in risicocontouren rondom de risicobron. Voorbeelden van risicobronnen zijn bedrijven, wegen en spoorlijnen. De 10-6-contour is de maatgevende grenswaarde. Dit houdt in dat er een kans van 1 op 1 miljoen is op overlijden.

 

Uit figuur 11 blijkt dat het plangebied niet gelegen is binnen de 10-6-contour. Kortom, het plaatsgebonden risico vormt geen belemmering voor onderhavig planvoornemen.

 

Transportroutes gevaarlijke stoffen

Op grond van de Circulaire Risiconormering Vervoer Gevaarlijke Stoffen, paragraaf 5.2.3 hoeven er (in principe) geen beperkingen aan het ruimtegebruik te worden gesteld in het gebied dat op meer dan 200 meter van een route of tracé ligt.

 

Het plangebied is gelegen in de omgeving van de A2. De A2 bevindt zich op een afstand van circa 2,6 kilometer, dus op een ruimschoots grotere afstand dan de gestelde 200 meter. Dit betekent dat met de A2 geen rekening hoeft te worden gehouden bij de toetsing en beoordeling van het groepsrisico. Gelet op vorenstaande vormt de A2 geen belemmering voor onderhavige planvoornemen.

Transportleidingen

Op 1 januari 2011 is het Besluit externe veiligheid buisleidingen van kracht geworden en gepubliceerd. Deze AMvB regelt onder andere welke veiligheidsafstanden moeten worden aangehouden rond buisleidingen met gevaarlijke stoffen, zoals aardgas.

Bij de vaststelling van de omgevingsvergunning, op grond waarvan het gebruik van het

plangebied wordt toegelaten:

  • wordt een waarde in acht genomen van 10-6 per jaar met betrekking tot het plaatsgebonden risico voor kwetsbare objecten (artikel 11, lid 1, van het Besluit) ofwel binnen de PR-contour is de bouw van een woning/kwetsbaar object niet toegestaan;
  • wordt tevens het groepsrisico in het invloedgebied van de buisleiding verantwoord (artikel 12, lid 1, van het Besluit) (invloedsgebied: het gebied waarin personen worden meegeteld voor de berekening van het groepsrisico van de buisleiding tot de grens waarbinnen de letaliteit van die personen 1% is).

 

Uit figuur 11 blijkt dat er in de omgeving van het plangebied geen buisleidingen met gevaarlijke stoffen liggen. Zowel het plaatsgebonden als het groepsrisico vormen derhalve geen belemmering voor onderhavig plan.

 

Conclusie externe veiligheid

Als gevolg van onderhavige planontwikkeling ontstaan er geen (extra) risico’s in het kader van externe veiligheid. Daarbij kan worden gesteld dat de zelfredzaamheid in casu redelijk te noemen is. Ook is de bereikbaarheid van de locatie bij een eventuele calamiteit goed. Hierdoor is de planontwikkeling in het kader van de externe veiligheid verantwoord te noemen.

 

Gelet op vorenstaande vormt het aspect externe veiligheid geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.7 Archeologie

Sinds 1 september 2007 is de Wet op de Archeologische Monumentenzorg in werking getreden. Deze wet is de Nederlandse uitwerking van het Verdrag van Malta uit 1992. In de Wet op de Archeologische Monumentenzorg is een raamwerk gegeven dat regelt hoe Rijk, provincies en gemeenten om moeten gaan met het aspect ‘archeologie’ in ruimtelijke plannen.

 

De uitgangspunten van de Wet op de Archeologische Monumentenzorg zijn als volgt:

  • de archeologische waarden dienen zoveel mogelijk in de bodem te worden bewaard;
  • er dient vroeg in het proces van de ruimtelijke ordening al rekening te worden gehouden met het aspect ‘archeologie’.

 

De wet bepaalt tevens dat gemeenten verantwoordelijk zijn voor hun eigen bodemarchief. De gemeente is dus bevoegd gezag indien het gaat om het toetsen van de archeologische onderzoeken en Programma’s van Eisen.

Gemeentelijk archeologiebeleid

De gemeente Maasgouw beschikt over een archeologische verwachtingen- en beleidskaart. Voor dit plangebied zijn ten aanzien van het aspect archeologie deze kaarten geraadpleegd.

 

Conform de verwachtingenkaart ligt het plangebied in een zone waarin de archeologische verwachtingswaarde laag is. Wel is het gebied gelegen binnen het AMK-terrein (Archeologische Monumenten Kaart). Dit houdt in dat, indien grondverzet dieper dan 30 cm plaatsvindt en een groter oppervlakte beslaat dan 100 m², er archeologisch onderzoek noodzakelijk is.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0011.png"

Figuur 12: uitsnede Archeologische beleidskaart

 

Dit planvoornemen heeft geen betrekking op bouwactiviteiten. Daarnaast heeft het geen betrekking op bodemverstorende activiteiten. Hierdoor zullen eventuele aanwezige archeologische waarden niet aangetast worden.

 

Hierdoor vormt het aspect archeologie geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.8 Kabels en leidingen

Door het plangebied lopen geen boven- en/of ondergrondse leidingen. Ten noorden van het plangebied, op circa 490 meter afstand, loopt een bovengrondse hoogspanningsleiding. Dit betreft de hoogspanningsverbinding Maasbracht-Meerhout met een spanning van 380 kV. De indicatieve zone betreft aan weerszijden 110 meter. Vanuit het Rijk wordt geadviseerd deze indicatieve zone bij nieuwbouw vrij te houden van woningen, scholen en kinderdagverblijven. De hoogspanningsverbinding Maasbracht-Meerhout vormt geen belemmering voor dit plan.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0012.png"

 Figuur 13: uitsnede Netkaart met aanduiding plangebied

 

Daardoor vormt het aspect kabels en leidingen geen belemmeringen voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.9 Verkeer en parkeren

Met betrekking tot de planontwikkeling dienen de (eventuele) gevolgen voor de verkeersstructuur alsmede het parkeren inzichtelijk te worden gemaakt.

 

Verkeersstructuur

Ten behoeve van de uitbreiding van de camping vinden vervoersbewegingen met personenauto’s plaats.

 

Het nieuwe kampeerveld wordt per dag in gebruik genomen door maximaal 6 kampeermiddelen. De meeste kampeerders zullen de camping met de fiets bezoeken, in dat geval bezoeken per dag geen extra personenauto’s de inrichting.

 

Wordt het kampeerveld gebruikt voor caravans, dan kunnen maximaal 3 kampeermiddelen het veld in gebruik nemen. In dat geval bezoeken per dag maximaal 3 extra personenauto’s het kampeerveld. Dit resulteert in maximaal 6 bewegingen met personenauto’s per dag. Nadat de caravan op de plaats is gezet, verlaat de auto vervolgens het kampeerveld. Het gemiddelde verblijf met een caravan is echter 1 of 2 weken, waardoor het aantal extra bewegingen met personenauto’s neerkomt op circa 6 bewegingen per 1 of 2 weken.

Parkeren

De personenauto’s worden geparkeerd op de reeds aanwezige parkeerplaatsen welke gelegen zijn achter de trekkershutten, naast het reeds bestaande kampeerveld en achter de stallingsloods aan de Moeder Magdalenastraat 13a. In onderstaande figuur worden de aanwezige parkeerplaatsen weergegeven.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0013.png" Figuur 14: luchtfoto met aanduiding parkeerplaatsen

 

Hierdoor vormt het aspect verkeer en parkeren geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

5.10 Waterhuishouding

In deze paragraaf wordt beschreven op welke wijze bij het project rekening is gehouden met

de ruimtelijk relevante aspecten van (duurzaam) waterbeheer. Allereerst wordt ingegaan op

het Rijks- en provinciaal waterbeleid.

5.10.1 Nationaal waterplan

Het Nationaal Waterplan (Ministerie van Verkeer & Waterstaat, 2009) heeft de status van een structuurvisie en is de opvolger van de Vierde Nota Waterhuishouding uit 1998. Het plan vervangt alle voorgaande Nota's Waterhuishouding. Omdat ook voor de volgende generaties Nederland als veilig en welvarend waterland veiliggesteld moet worden, moet nu een oplossing worden gevonden ten aanzien van ontwikkelingen op het gebied van klimaat, demografie, economie en een duurzaam waterbeheer.

Een goede bescherming tegen overstromingen, het zoveel mogelijk voorkomen van wateroverlast en droogte en het bereiken van een goede waterkwaliteit zijn basisvoorwaarden voor welvaart en welzijn. Water levert een positieve bijdrage aan de kwaliteit van de leefomgeving en het behoud van biodiversiteit. Daarnaast kan water een belangrijke economische rol vervullen door gebruik voor transport, visserij en recreatie. Het doel is helder: Nederland, een veilige en leefbare delta, nu en in de toekomst.

Voor een duurzaam en klimaatbestendig watersysteem is het dan ook van belang bij ruimtelijke ontwikkelingen rekening te houden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn. Meer dan voorheen moet water bepalend zijn bij de besluitvorming. De mate waarin water bepalend is, hangt af van de wateropgave in relatie tot andere opgaven, aanwezige functies en bodemgesteldheid, en andere kenmerken in dat gebied.

Gemeenten en provincies wordt gevraagd het generieke beleid lokaal en regionaal te vertalen en vast te leggen in structuurvisies, bestemmingsplannen en waterplannen. Bij de planuitwerking van dit bestemmingsplan dient dan ook rekening te worden gehouden met waterhuishoudkundige eisen op korte en lange termijn, gericht op duurzaam waterbeheer.

5.10.2 Provinciaal beleid

De provincie Limburg kent ook als uitgangspunt dat verdroging zo veel mogelijk moet worden tegengegaan en dat de waterkwaliteit, met het oog op een duurzaam gebruik in de toekomst, erg belangrijk is. Verder sluit de provincie aan bij het beleid van de Vierde Nota Waterhuishouding om infiltratie van water in de bodem te bevorderen en water meer terug te brengen in stedelijk gebied.

 

Binnen de waterbeheersplannen van Limburg is integraal waterbeheer een belangrijk begrip. Ook hier speelt verdroging en waterkwaliteit een belangrijke rol in het beleidsproces. Ter invulling van (specifiek) ecologische functies stelt het Waterschap onder andere dat, ter voorkoming van verdroging, grondwaterstanden (daar waar dat mogelijk is) verhoogd moeten worden door peilbeheer. Ook dient het rioleringsbeheer door gemeenten op en aan de watergangen en -plassen toegekende functies, afgestemd te worden. Naast die ecologische functie dienen er ook mensgerichte hoofdfuncties ten behoeve van industrie of drinkwater ingepast te worden. Tevens dient er plaats te zijn voor mensgerichte nevenfuncties.

5.10.3 Watertoets Waterschap Peel en Maasvallei

Vanaf 1 november 2003 zijn de overheden wettelijk verplicht alle ruimtelijke plannen, die van invloed zijn op de waterhuishouding, voor advies voor te leggen aan de waterbeheerders. Tot juli 2004 kwam het voor dat voor de watertoets verschillende waterbeheerders (waterschapsbedrijf, Waterschap, provincie en Rijkswaterstaat) apart moesten worden benaderd. Die gaven dan afzonderlijke wateradviezen. Dat zorgde voor veel onduidelijkheid en papieren rompslomp. Daarom hebben de Limburgse waterbeheerders afgesproken om alle aanvragen in het hun betreffende gebied af te handelen via één loket: het zogenaamde watertoetsloket. Het loket is ondergebracht bij het Waterschap.

 

Niet alle ruimtelijke plannen behoeven de watertoets te doorlopen. Daartoe heeft het Waterschap een stroomschema, met daarbij behorende notitie ondergrens, opgesteld waaruit het toepassingsbereik van de watertoets blijkt. Ook zijn per gemeente waterkaarten opgesteld waaruit de verschillende waterbelangen op een bepaalde locatie zijn af te lezen. Aan de hand van het ‘meldformulier watertoets’ kunnen (ruimtelijke) plannen vervolgens voor advies worden voorgelegd aan het betreffende Waterschap.

 

De planontwikkeling is gelegen binnen het werkgebied van het Waterschap Roer en Overmaas.

 

Uit raadpleging van de digitale watertoets blijkt dat het plangebied is gelegen binnen de ‘invloedszone voor maas vaarwegen’ alsmede de ‘invloedszone waterkeringen’. Derhalve dient het plan voorgelegd te worden aan het waterschap voor een (pré)wateradvies.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0014.png"

Figuur 15: uitsnede Netkaart met aanduiding plangebied

 

(Pré)wateradvies

Volgens het digitale watertoetsloket blijkt dat een normale watertoetsprocedure nodig zou zijn vanwege ligging binnen de invloedssfeer van de waterkering en het rivierbed van de maas. Het planvoornemen is derhalve op 29 november 2011 per mail voor een toetsing voorgelegd aan het Waterschap Roer en Overmaas.

 

Uit de conclusie van het Waterschap blijkt dat de planlocatie gelegen is buiten de beschermingszone van de waterkering en dat het plan op basis van de Beleidsregel grote rivieren in een vergunningvrij gebied gelegen is (zie bijlage 7 Wateradvies d.d. 7 december 2011). Gelet op de aard van het plan hoeft het plan niet voor een verder wateradvies bij het Waterschap Roer en Overmaas ingediend te worden. Het plangebied is en blijft onverhard waardoor het hemelwater kan blijven infiltreren.

5.10.4 Conclusie waterhuishouding

Het aspect waterhuishouding vormt geen belemmering voor de voorgenomen planontwikkeling.

 

5.11 Natuur en landschap

5.11.1 Landschapsplan

Vanwege de ligging binnen de rode contour is het gemeentelijk kwaliteitsmenu (GKM) niet van toepassing.

 

Ter compensatie van de ruimtelijke effecten is echter toch een groenzone gerealiseerd op de locatie van de ontwikkeling zelf. Deze groenzone bestaat uit diverse bomen en boomgroepen welke gesitueerd zijn over een breedte van 6 meter langs het aangrenzende perceel. De totale oppervlakte van de groenstrook is 312 m². Deze groenzone is weergegeven in onderstaande figuur.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0015.png"

Figuur 16: uitsnede van de reeds aangelegde groenzone

 

5.12 Flora en fauna

In april 2002 is de Flora- en Faunawet in werking getreden. In deze wet zijn de onderdelen uit de Europese Habitatrichtlijn en onder meer de Vogelrichtlijn, die de bescherming van soorten betreft, geïmplementeerd. De wet biedt ook het kader voor de bescherming van inheemse dier- en plantensoorten die geen bescherming genieten op grond van de Habitatrichtlijn. Er geldt een aantal verboden ter bescherming van beschermde dier- en plantensoorten (artikel 9 t/m 12 Flora en faunawet).

 

In bepaalde gevallen geldt voor het overtreden van deze geboden een vrijstelling. Wanneer geen vrijstelling van toepassing is, kan in bepaalde gevallen een ontheffing worden verleend. In deze toelichting wordt bekeken of voor de activiteit een vrijstelling of ontheffing nodig is en zo ja, of deze vrijstelling respectievelijk ontheffing kan worden verleend.

 

In dit kader is met name van belang artikel 16b, eerste lid, van het Besluit vrijstelling beschermde dier- en plantensoorten ingevolge welk artikel de verboden, bedoeld in de artikelen 8 t/m 12 van de wet, niet gelden bij de uitvoering van de werkzaamheden in het kader van ruimtelijke ontwikkeling en inrichting.

Te allen tijde geldt dat de algemene zorgplicht ex artikel 2 van de Flora- en Faunawet van toepassing is. Dit houdt in, dat handelingen die niet noodzakelijk zijn met betrekking tot de voorgenomen ingreep en die nadelig zijn voor de in en om het plangebied voorkomende flora en fauna, achterwege moet blijven.

 

Voorliggend bestemmingsplan voorziet in het wijzigen van het gebruik van het plangebied van ‘wonen’ naar het gebruik voor ‘recreatieve doeleinden’. Ook gaat een gedeelte van het plangebied gebruikt worden voor een groene inpassing. Op deze locatie zijn, door het intensieve gebruik van het plangebied door de mens, op dit moment geen beschermde flora en fauna te verwachten.

 

Aangezien er als gevolg van dit planvoornemen niet wordt gebouwd, zullen eventueel aanwezige planten- en diersoorten geen belemmeringen ondervinden als gevolg van het gewijzigde gebruik van het plangebied.

 

Natuurgegevens provincie Limburg

De provincie Limburg heeft in 2008 de haar beschikbare natuurgegevens geactualiseerd. In de database van de provincie Limburg wordt per locatie een overzicht gegeven van aangetroffen broedvogels en plantensoorten.

 

Op grond van de gegevens die afkomstig zijn uit deze database, is de dichtstbijzijnde waarneming (Grasmus, 2007) gedaan buiten het plangebied. Verder komen er op grond van deze gegevens geen beschermde plantensoorten voor in en direct rond het plangebied.

 

 afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0016.png"

Figuur 17: natuurgegevens provincie Limburg

 

Gebiedsbescherming

Het dichtstbijzijnde Natura 2000-gebied is de ‘Grensmaas’. Dit gebied is gesitueerd op een afstand van circa 575 meter van het plangebied. Gezien de aard van het planvoornemen heeft dit geen invloed op de aanwezigheid van flora en fauna in dit Natura 2000-gebied.

Binnen een straal van 3 km is geen beschermd natuurmonument gelegen.

afbeelding "i_NL.IMRO.1641.BPL065-VG01_0017.png"

Figuur 18: ligging plangebied ten opzichte van Natura 2000 en beschermde natuurmonumenten 

 

Conclusie flora en fauna

Gelet op de beschikbare gegevens en het karakter van het plangebied is het onwaarschijnlijk dat er binnen het plangebied beschermde soorten voorkomen. Mochten er toch diersoorten in het plangebied voorkomen, dan zullen dit algemene soorten zijn waarvoor de lichtste vorm van bescherming geldt (bosmuis, spitsmuis, veldmuis, etc). De aanleg van de groenstrook zorgt voor een vergroting van het leefgebied van de hiervoor genoemde soorten.

5.13 Duurzaamheid

Duurzame stedenbouw verbreedt de aandacht naar meer aspecten dan alleen de verkaveling en ontsluiting. Duurzaamheid gaat ook om een zuinig ruimtegebruik, milieuvriendelijkheid, veilig verkeer en vervoer en natuur en rekening houden met het waterhuishoudingsysteem, omgevingsinvloeden, landschapsstructuren en landschapselementen.

Dit betekent in de praktijk dat gelet moet worden op het materiaalgebruik, de vormgeving, gebruik van alternatieve energiebronnen, compact bouwen, intensief ruimtegebruik en flexibel bouwen (levensloopbestendig).

In dit planvoornemen wordt niet gebouwd. Duurzaamheid op het vlak van het aspect bouwen is derhalve niet aan de orde.

Hoofdstuk 6 Juridische aspecten

6.1 Inleiding

In een bestemmingsplan zijn de bouw- en gebruiksmogelijkheden voor een bepaald gebied opgenomen. Het bestemmingsplan regelt de inrichting van het gebied op hoofdlijnen door de gronden te beleggen met een bestemming. Het juridische deel van het bestemmingsplan bestaat uit de verbeelding (kaart) in samenhang met de regels. In deze paragraaf wordt het juridische deel van het bestemmingsplan nader toegelicht.

6.1.1 Wettelijk kader

Het wettelijk kader wordt gevormd door de Wet ruimtelijke ordening (Wro, 1 juli 2008) en de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo, 1 oktober 2010). De wettelijke regeling voor bestemmingsplannen is vervolgens verder ingevuld door het Besluit ruimtelijke ordening (Bro), de Regeling standaarden ruimtelijke ordening 2012. Het bestemmingsplan gaat uit van de bijlage bij de voornoemde Regeling opgenomen Standaard Vergelijkbare Bestemmingsplannen 2012 (SVBP2012). Aangezien bestemmingsplannen hieraan moeten voldoen, zullen bestemmingsplannen voortaan kwalitatief gelijkwaardig zijn en uniform in aanpak, uitvoering, uitwisseling van gegevens en raadpleging daarvan.

6.1.2 Planonderdelen

Het bestemmingsplan 'Uitbreiding camping de Maashoeve' bestaat uit een verbeelding, regels en een toelichting. De verbeelding en de regels tezamen vormen het juridisch bindende deel van het plan. Verbeelding en regels dienen te allen tijde in onderlinge samenhang te worden bezien en toegepast.

Het plangebied krijgt een recreatieve bestemming, zoals op de verbeelding wordt aangegeven. Daarnaast is een aantal aanduidingen op de verbeelding opgenomen. De juridische betekenis van deze bestemmingen en aanduidingen is terug te vinden in de regels. Een gedeelte van de informatie op de verbeelding heeft geen juridisch betekenis, maar is slechts opgenomen om de leesbaarheid van en oriëntatie op de verbeelding te vergroten, zoals een kadastrale/GBKN ondergrond. Alle letters, aanduidingen en lijnen worden verklaard in de legenda op de verbeelding.

De regels bepalen de gebruiksmogelijkheden van de gronden binnen het plangebied en geven tevens de bouw- en gebruiksmogelijkheden met betrekking tot bouwwerken aan. De regels van het bestemmingsplan 'Uitbreiding camping de Maashoeve' zijn opgebouwd conform de door de SVBP2012 voorgeschreven systematiek en overeenkomstig de standaardregels uit het gemeentelijke handboek. De regels omvatten inleidende regels, bestemmingsregels, algemene regels, en ten slotte de overgangs- en slotregels.

6.2 Inleidende regels

6.2.1 Begrippen

In de begripsregels worden omschrijvingen gegeven van de in het bestemmingsplan gebruikte begrippen. Deze worden opgenomen om interpretatieverschillen te voorkomen. Alleen die begripsregels worden opgenomen die gebruikt worden in de regels en die tot verwarring kunnen leiden of voor meerdere uitleg vatbaar zijn. Voor sommige begrippen worden in de SVBP2012 omschrijvingen gegeven. Deze worden overgenomen.

6.2.2 Wijze van meten

Om op een eenduidige manier afstanden en oppervlakten te bepalen, wordt in de 'wijze van meten' uitleg gegeven wat onder de diverse begrippen wordt verstaan. Ten aanzien van de wijze van meten op de verbeelding geldt steeds dat het hart van een lijn moet worden aangehouden. Ook voor de 'wijze van meten' worden in de SVBP2012 richtlijnen gegeven.

6.3 Bestemmingsregels

De gronden van het gehele plangebied hebben een positieve bestemming. Een positieve bestemming betekent dat het gebruik van de gronden voor de verschillende bestemmingen direct mogelijk is. Bovendien betekent het dat oprichting van gebouwen direct mogelijk is nadat burgemeester en wethouders een omgevingsvergunning hebben verleend, welke dient te voldoen aan onder meer de regels van het bestemmingsplan, het Bouwbesluit en de Bouwverordening.

De opbouw van de bestemmingen ziet er in beginsel als volgt uit:

  • Bestemmingsomschrijving;
  • Bouwregels;
  • Nadere eisen;
  • Afwijken van de bouwregels;
  • Specifieke gebruiksregels;
  • Afwijken van de gebruiksregels;
  • Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden;
  • Omgevingsvergunning voor het slopen van een bouwwerk;
  • Wijzigingsbevoegdheid.

Hierna volgt een korte uitleg van de gebruikte onderdelen.

Bestemmingsomschrijving

In de bestemmingsomschrijving wordt een omschrijving gegeven van de aan de gronden toegekende functie(s). De hoofdfunctie(s) worden als eerste genoemd. Indien van toepassing, worden ook de aan de hoofdfunctie ondergeschikte functies mogelijk gemaakt. De ondergeschiktheid kan worden aangegeven door de woorden 'met daaraan ondergeschikt'. De ondergeschikte functies staan ten dienste van de hoofdfunctie binnen de betreffende bestemming.

De bestemmingsomschrijving is niet alleen functioneel maar bevat, met het oog op de raadpleegbaarheid, ook inrichtingsaspecten. Zo kan er worden bepaald dat de betreffende gronden zijn bestemd voor gebouwen ten behoeve van de toegestane functies. Daarnaast kan in de bestemmingsomschrijving worden aangegeven dat landschappelijke inpassing wordt nagestreefd waarbij een directe relatie wordt gelegd met het landschapinrichtingsplan.

Bouwregels

In de bouwregels worden voor alle bouwwerken de van toepassing zijnde bebouwingsregels weergegeven. Hierbij wordt in ieder geval een onderscheid gemaakt tussen de regeling van (hoofd)gebouwen en bouwwerken, geen gebouwen zijnde en daar waar van toepassing ook tussen hoofdgebouwen en aanbouwen, uitbouwen en bijgebouwen.

Nadere eisen

Nadere eisen kunnen worden gesteld ten behoeve van bepaalde doorgaans kwalitatief omschreven criteria, zoals een goede woonsituatie, de verkeersveiligheid, de sociale veiligheid en de gebruiksmogelijkheden van de aangrenzende gronden. De nadere eisenregeling biedt de mogelijkheid om in concrete situaties in het kader van het verlenen van een omgevingsvergunning sturend op te treden door het opnemen van nadere eisen in de omgevingsvergunning. Nadere eisen kunnen alleen worden gesteld als er in de regels ook een primaire eis wordt gesteld. De nadere eisen moeten verband houden met deze eis. De nadere eisenregeling hoeft niet in alle bestemmingen te worden geregeld.

Afwijken van de bouwregels

Met een omgevingsvergunning kan afgeweken worden van de algemeen toegestane bouwregelingen. Deze vergunning is niet bedoeld voor afwijkingen van de bouwregels, waarvan de verwachting is, dat ze veelal kunnen worden verleend. In dat geval zijn de bouwregels hierop aangepast. Voor elke afwijking wordt aangegeven waarvoor een vergunning wordt verleend, de maximale afwijking kan worden toegestaan en meestal de situaties of voorwaarden waaronder vergunning wordt verleend.

Het gaat hier om afwijkingsbevoegdheden voor specifieke bestemmingen. Indien de afwijkingsbevoegdheden gelden voor meerdere bestemmingen dan wel een algemene strekking hebben, zijn ze opgenomen in hoofdstuk 3 (de algemene regels).

Specifieke gebruiksregels

Het is verboden gronden te gebruiken op een manier die in strijd is met het bestemmingsplan. In specifieke gebruiksregels kunnen bepaalde functies nog expliciet worden genoemd als zijnde verboden gebruik.

Afwijken van de gebruiksregels

Met een omgevingsvergunning kan van de gebruiksregels in het plan worden afgeweken ten behoeve van een concrete vorm van grondgebruik. Dit mag echter niet leiden tot een feitelijke wijziging van de bestemming. Dat wil zeggen dat wel vergunning kan worden verleend ten behoeve van functies die inherent zijn aan de in de bestemmingsomschrijving opgenomen functies, maar dat via afwijkingsbevoegdheden geen 'nieuwe' functies kunnen worden toegestaan. De afwijking dient te zien op kleinere, planologisch minder ingrijpende onderwerpen. Functiewijzigingen en grotere, ruimtelijke ingrepen dienen te worden geregeld via een wijzigingsbevoegdheid of bestemmingsplanherziening.

6.3.1 Bestemming

Groen

De groenbestemming is opgenomen ter plaatse van de gronden die ingezet worden voor de landschappelijke inpassing van de uitbreiding van de camping. Ter plaatse wordt een houtwal gerealiseerd. Gebouwen worden op deze gronden niet toegestaan. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde worden toegestaan tot een hoogte van maximaal 3 meter.

Recreatie - Verblijfsrecreatie

Op de gronden is een recreatieve bestemming ten behoeve van verblijfsrecreatie opgenomen. Deze gronden zijn bestemd voor reguliere kampeerterreinen met toeristische plaatsen voor kampeermiddelen, met uitzondering van stacaravans, trekkershutten, tenthuisjes en chalets.

Gebouwen zijn niet toegestaan. Wel zijn bouwwerken, geen gebouwen zijnde toegestaan. Hiervoor zijn maximale hoogte in de regels opgenomen.

Om te waarborgen dat de gronden landschappelijk worden ingepast, is in de regels een voorwaardelijke bepaling opgenomen.

6.4 Algemene regels

Anti-dubbeltelregel

Een anti-dubbeltelregel wordt opgenomen om te voorkomen dat, wanneer volgens een bestemmingsplan bepaalde bouwwerken niet meer dan een bepaald deel van een bouwperceel mogen beslaan, het open gebleven terrein ook nog eens meetelt bij het toestaan van een ander gebouw of bouwwerk, waaraan een soortgelijke eis wordt gesteld. De opgenomen anti-dubbeltelregel is gelijkluidend aan de in het Besluit ruimtelijke ordening voorgeschreven formulering.

Algemene bouwregels

Voor het gehele plangebied, en dus alle bestemmingen, geldt een aantal algemene bouwregels. Hier worden zaken geregeld als ondergronds bouwen en ondergeschikte bouwonderdelen.

Algemene afwijkingsregels

In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om met een omgevingsvergunning af te wijken van bepaalde, in het bestemmingsplan geregelde, onderwerpen. Hierbij gaat het om afwijkingsregels die gelden voor alle bestemmingen in het plan. Aangegeven wordt van welke regel met een omgevingsvergunning afgeweken kan worden en waarvoor.

Algemene wijzigingsregels

In deze bepaling wordt aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid gegeven om meerdere bestemmingen te wijzigen. De voorwaarden, die bij toepassing van de wijzigingsbevoegdheid in acht moeten worden genomen, zijn daarbij aangegeven.

Algemene procedureregels

In deze bepaling wordt aangegeven welke procedures moeten worden doorlopen bij het verlenen van een omgevingsvergunning, bij de toepassing van een wijzigingsbevoegdheid en bjj het stellen van nadere eisen.

Overige regels

Onder de overige regels zijn regels opgenomen betreffende het parkeren.

6.5 Overgangs- en slotregels

6.5.1 Overgangsrecht

In deze regels wordt het overgangsrecht, zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening en de Wabo, overgenomen.

6.5.2 Slotregel

Als laatste wordt de slotregel opgenomen, ook zoals voorgeschreven in het Besluit ruimtelijke ordening. Deze regel geeft aan hoe het plan kan worden aangehaald.

Hoofdstuk 7 Uitvoerbaarheid

De economische uitvoerbaarheid van de planontwikkeling dient in relatie tot de gemeentelijke financiën te zijn gewaarborgd. Daarbij dient ook te worden onderzocht of en in hoeverre de voorgenomen afwijkingen ten opzichte van het vigerende bestemmingsplan aanleiding kunnen geven tot aanspraken om planschade als bedoeld in artikel 6.1 van de Wet ruimtelijke ordening.

7.1 Grondexploitatie

7.1.1 Algemeen

Afdeling 6.2 van de Wet ruimtelijke ordening draagt de titel ‘Grondexploitatie’. In dit hoofdstuk wordt ingegaan op de mogelijkheden voor gemeenten (en ook provincie en Rijk indien deze als planwetgever optreden) om langs publiekrechtelijke weg eisen te stellen aan het in exploitatie brengen van gronden. Het gaat dan onder andere om eisen op het gebied van kostenverhaal, sociale woningbouw, particulier opdrachtgeverschap en fasering van de invulling van de openbare ruimte. Ook zijn in afdeling 6.2 Wro twee bepalingen opgenomen over de wijze waarop langs privaatrechtelijke weg eisen gesteld kunnen worden aan het in exploitatie brengen van gronden.

7.1.2 Exploitatieplan

Afdeling 6.4 Wro beschrijft een publiekrechtelijk stelsel waarbinnen door gemeenten (en in voorkomend geval provincie of Rijk) eisen gesteld kunnen worden aan de grondexploitatie. Dit publiekrechtelijk instrumentarium is aanvullend van aard. Het primaat ligt bij vrijwillige civielrechtelijke afspraken. Deze civielrechtelijke afspraken worden gemaakt in hetzij een anterieure overeenkomst (er is nog geen exploitatieplan vastgesteld) hetzij een posterieure overeenkomst (er is al een exploitatieplan vastgesteld).

 

Artikel 6.12, lid 1 Wro bepaalt dat de gemeenteraad wordt verplicht om de gronden, waarop een bij algemene maatregel van bestuur aangewezen bouwplan is voorgenomen, een exploitatieplan op te stellen. Artikel 6.2.1 Besluit ruimtelijke ordening geeft aan om welke bouwplannen het gaat.

 

Hoofdregel is dat er een plicht bestaat voor het opstellen van een exploitatieplan. Onder artikel 6.12, lid 2 Wro wordt hierop echter een aantal uitzonderingsmogelijkheden geboden (die ook van toepassing zijn in het geval de gemeenteraad besluit om middels een omgevingsvergunning af te wijken van het bestemmingsplan):

  • het verhaal van kosten over de in het plan of besluit begrepen kosten is anderszins verzekerd;
  • het is niet nodig een tijdvak te bepalen waarbinnen de grondexploitatie zal plaatsvinden;
  • het is niet nodig een fasering op te nemen waarbinnen werken, werkzaamheden en bouwplannen uitgevoerd moeten worden;
  • het is niet nodig eisen en/of regels omtrent de uitvoering te stellen aan het bouwrijp
  • maken en/of de inrichting van de openbare ruimte en/of de aanleg van nutsvoorzieningen;
  • het is niet nodig regels te stellen omtrent de uitvoering van de in het bestemmingsplan opgenomen bepalingen omtrent sociale huur en/of koopwoningen, kavels voor particulier opdrachtgeverschap of branches in de detailhandel.

Het bestemmingsplan heeft betrekking op een particulier initiatief, waarbij de financiële consequenties uitsluitend door die initiatiefnemer zullen worden gedragen.

 

Daar de kosten voor de planontwikkeling geheel voor rekening zijn van de initiatiefnemer, heeft dit plan géén gevolgen voor de gemeentelijke begroting en/of gemeentelijke financiën.

 

7.2 Planschade

Artikel 6.1 Wet ruimtelijke ordening biedt de grondslag voor de vergoeding van zogenoemde planschade. Deze schadevergoeding wordt (in beginsel) door het college van burgemeester en wethouders van de betreffende gemeente toegekend aan degene die als gevolg van een planontwikkeling schade lijdt.

 

Artikel 6.4a Wro bepaalt dat de gemeente de mogelijkheid heeft om met een initiatiefnemer van een planontwikkeling een overeenkomst te sluiten. De strekking van dergelijke planschadeovereenkomst is dat de door derden geleden schade geheel (of gedeeltelijk) voor rekening komt van de initiatiefnemer, omdat de schade voortvloeit uit het op zijn of haar verzoek ten behoeve van een planontwikkeling (herziening van het bestemmingsplan).

Met initiatiefnemer is een planschadeovereenkomst gesloten.

Hoofdstuk 8 Overleg en inspraak

8.1 Bestuurlijk overleg

Het bestemmingsplan doorloopt de volgende procedure:

a. Ontwerp:

  • publicatie en terinzagelegging overeenkomstig afdeling 3.4 Awb en Wro 
  • een ieder kan gedurende deze terinzagelegging een zienswijze indienen bij de gemeenteraad

b. Vaststelling:

  • Vaststelling door de Raad
  • Mogelijkheid reactieve aanwijzing
  • publicatie en terinzagelegging vastgesteld bestemmingsplan gedurende de beroepstermijn

c. Inwerkingtreding:

  • Na afloop van de beroepstermijn (tenzij binnen de beroepstermijn een verzoek om voorlopige voorziening wordt gedaan)

d. Beroep:

  • Beroep bij Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

In het kader van deze procedure is het voor eenieder mogelijk zijn/haar zienswijzen (bij de gemeenteraad) kenbaar te maken. In publicaties met betrekking tot de diverse stappen die het plan moet doorlopen wordt daarvan steeds melding gemaakt. Wanneer beroep wordt ingesteld, beslist uiteindelijk in hoogste instantie de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State over het bestemmingsplan.

8.2 Kennisgeving voorbereiding

Overeenkomstig artikel 1.3.1 Besluit ruimtelijke ordening (Bro) is op 30 september 2015 kennis gegeven van het voornemen tot het voorbereiden van het bestemmingsplan 'Uitbreiding camping de Maashoeve'.

8.3 Vooroverleg

Instanties die blijkens hun werkterrein belangen vertegenwoordigen of bevoegdheden krachtens de Wro hebben worden bij de totstandkoming van bestemmingsplannen betrokken in het kader van artikel 3.1.1 van het Besluit op de ruimtelijke ordening (Bro).

Aangezien er in onderhavig planvoornemen belangen van het rijk ontbreken is overleg met het ministerie van I&M (Infrastructuur & Milieu) niet vereist.

De provincie Limburg heeft op 11 januari 2012 aangegeven geen bezwaar te hebben tegen onderhavig planvoornemen. Op 29 november 2011 heeft het waterschap al aangegeven geen belemmeringen te zien ten aanzien van het project.

8.4 Zienswijze en vaststelling

Het ontwerp van het bestemmingsplan heeft van 8 oktober 2015 tot en met 18 november 2015 ter inzage gelegen, waarbij het voor eenieder mogelijk was een zienswijze in te dienen. In totaal zijn binnen de periode van terinzagelegging 2 zienswijzen, waarvan 1 van de provincie, ingediend. Op PM heeft de gemeenteraad het bestemmingsplan vastgesteld. De nota van beantwoording zienswijzen is als bijlage PM en het raadsbesluit is als bijlage PM bij deze toelichting gevoegd.

Bijlagen